Swipe to the left

Ode aan 100 jaar schenkbelasting

Print
Ode aan 100 jaar schenkbelasting
By Prof. dr. F. Sonneveldt 19 juli 2017 1562 keer bekeken Geen opmerkingen

Op 20 januari 1917 wordt voor de schenkbelasting, toen nog schenkingsrecht geheten, een volwaardige plaats ingeruimd in de successiewetgeving naast het successierecht en het recht van overgang. Sprenger van Eyk/De Leeuw drukken dit beeldend uit: ‘Toch neemt dit niet weg dat de Successiewet thans een belasting op schenkingen behelst, die niet louter is een regeling om ontduiking (besparing) van het successierecht door schenkingen onder de levenden tegen te gaan, maar die wel degelijk de schenking op grond van haar eigen karakter tot object van belastingheffing maakt.’ Voorafgaande aan genoemde datum valt een akte van schenking onder het registratierecht en wordt als zodanig met een evenredig recht belast. Deze heffing valt nog terug te voeren op de Franse Registratiewet van 12 december 1798 (22 Frimaire an VII). De heffing heeft vrijwel uitsluitend betrekking op schenkingen van onroerend goed en zij kan niet worden aangemerkt als ‘een deugdelijke belasting op schenkingen’. Zij komt met de invoering van een algemeen schenkingsrecht te vervallen.

Ook voorafgaande aan 1917 besteedt de successiewetgeving al aandacht aan het fenomeen schenking, maar deze aandacht richt zich voornamelijk op de bestrijding van het ontgaan van successierecht. Zo worden sinds 1832 schenkingen aan ‘zedelijke lichamen en instellingen van de doode hand’ getroffen met successierecht. Sprenger van Eyk/De Leeuw spreken in dit verband van ‘quasi-successierecht’. De gedachte achter deze heffing is om een gelijkstelling met erfrechtelijke makingen te creëren. Men wil door een wettelijke bepaling het misbruik voorkomen dat zou ontstaan indien deze belaste erfrechtelijke verkrijgingen zouden worden vervangen door onbelaste schenkingen. Overigens wordt het doel door deze regeling niet volledig bereikt. Praktisch worden namelijk vrijwel alleen schenkingen van onroerend goed in de regeling betrokken. Daarnaast is er nog een andere complicatie. Op grond van het destijds geldende art. 1717 BW hebben sommige instellingen een koninklijke machtiging nodig om rechtsgeldig een schenking te aanvaarden. Door het nalaten van het vragen van deze machtiging ontkomt men aan de heffing van het ‘quasi-successierecht’. Door de invoering van een algemeen schenkingsrecht in 1917 worden deze belemmeringen opgeheven.

Lees meer

Prof.dr. F. Sonneveldt
partner-aandeelhouder Mazars Paardekooper Hoffman N.V. te Den Haag en hoogleraar Successiewet en Estate Planning, Universiteit Leiden

Deze Opinie verscheen eerder in het Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht, 18e jaargang, nummer 24


Blijf op de hoogte van onze blogs en meer door Sdu Fiscaal te volgen op LinkedIn
Posted in: Fiscaal Recht