Swipe to the left

Overdreven formaliteiten bij formele verweren (ex art. 359a Sv)

Print
Overdreven formaliteiten bij formele verweren (ex art. 359a Sv)
By 21 november 2017 5921 keer bekeken Geen opmerkingen

Laat ik meteen met een waarschuwing beginnen om niet meteen alle lezers kwijt te raken: deze blog is niet het zoveelste moment dat een advocaat zich beklaagt over rechters die te weinig gevolgen verbinden aan onrechtmatigheden in de opsporing en vervolging. Deze blog grijp ik veeleer aan om aan met een mensenrechtelijke, Straatsburgse (EHRM-)blik te kijken naar de toepassing van art. 359a Sv in het Nederlandse strafproces. Oftewel, wat mag vanuit dat perspectief tenminste aan respons van de (nationale) rechter verlangd worden.

Artikel 359a Wetboek van Strafvordering zegt in lid 1 en 2:

1 De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:

a. de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;

b. de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde feit;

c. het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.

2 Bij de toepassing van het eerste lid, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Toepassing in de praktijk
Iedereen die zich een beetje met het straf(proces)recht bezig houdt, weet dat strafrechters tegenwoordig weinig tot geen gevolgen verbinden aan vastgestelde vormverzuimen als bedoeld in art. 359a Sv. Onder invloed van de strikte voorwaarden uit de rechtspraak van de Hoge Raad is de feitenrechter daartoe ook alle ruimte ontnomen. De lijn in de jurisprudentie wordt immers steeds strenger. Formele verweren zijn eigenlijk bij voorbaat gedoemd te mislukken. Deze praktijk laat zich wellicht het beste samenvatten in de gedachte: de verdachte moet toch zeker niet profiteren van fouten aan de zijde van politie of justitie.

Tegenover die gedachte staan verschillende, principiële en rechtsstatelijke – lees: in de publieke opinie minder aantrekkelijke – argumenten om juist wél consequenties aan de fouten van justitie te verbinden. Zo valt te denken aan het creëren van een leermoment voor politie en justitie. Zoals gezegd ga ik deze gelegenheid echter niet gebruiken om voor- en tegenargumenten af te wegen. Geïnteresseerden verwijs ik graag in het bijzonder naar het rapport van het WODC “Toezicht op strafvorderlijk overheidsoptreden”

Waar het mij om gaat, is het volgende. De feitenrechters mogen weliswaar meegaand oordelen over vormverzuimen door politie en/of justitie, maar dat geldt niet bij het verzuimen van vormen aan de zijde van de verdachte met betrekking tot het voeren van een “359a-verweer”. Als zo’n verweer niet aan de formele eisen van de Hoge Raad voldoet, volgt vrijwel direct een onverbiddelijke afwijzing (en zo niet, dan zal de Hoge Raad dit uiteindelijk zelf wel doen). De lijn van de Hoge Raad is immers al sinds het “Afvoerpijparrest” (ECLI:NL:HR:2004:AM2533):

“van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, [mag] worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van die factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven.”

Als het rijtje “belang, ernst en nadeel” niet braaf wordt langsgelopen – een eis die bij mij onvermijdelijk de associatie oproept met een schoolse naamvallenoverhoring – door de verdediging, dan hoeft de rechter daar dus ook niet op te reageren.

Het (Europese) mensenrechtelijke perspectief
Voornoemde praktijk komt voort uit (zeer) bestendige rechtspraak. Vanuit het Europese mensenrechtelijke perspectief, hetgeen toch een voorname invloed heeft – of zou moeten hebben – op het Nederlandse strafproces, meen ik echter dat het opmerkelijke rechtspraak is. Bij “359a-verweren” gaat het namelijk vaak om gestelde vormverzuimen rondom de inzet van strafvorderlijke dwangmiddelen die de verdachte evident direct raken in een mensenrecht (al dan niet opgenomen in het EVRM). Van een inbreuk op de persoonlijke integriteit, tot aan inbreuken op de persoonlijke vrijheid (art. 5 EVRM) bij bijvoorbeeld een aanhouding en het gebruik van handboeien en inbreuken op het recht op privacy (art. 8 EVRM) bij het doorzoeking van een woning en het afluisteren van vertrouwelijke (telefoon)gesprekken.

Ik beperk me even tot de concrete EVRM-rechten. In de gevallen waarin de verdachte stelt dat sprake is van een inbreuk op een dergelijk recht verlangd, verlangt art. 13 EVRM een effectief c.q. daadwerkelijk rechtsmiddel. In het recente arrest in de zaak van Dragos Ioan Rusu tegen Roemenië van 31 oktober 2017 heeft het EHRM nog maar eens herhaald hoe het aankijkt tegen een beoordeling van een (gestelde) inbreuk. Daarbij citeert het Hof uit het arrest Dragojevic tegen Kroatië (EHRM 15 januari 2015):

“83. Furthermore, in view of the risk that a system of secret surveillance for the protection of national security may undermine or even destroy democracy under the cloak of defending it, the Court must be satisfied that there exist guarantees against abuse which are adequate and effective. This assessment depends on all the circumstances of the case, such as the nature, scope and duration of the possible measures, the grounds required for ordering them, the authorities competent to permit, carry out and supervise them, and the kind of remedy provided by the national law.”

In Nederland is het strafproces in feite de enige (effectieve) plaats waar een schending van een EVRM-recht bij de inzet van strafvorderlijke dwangmiddelen aan de orde kan komen. Het ligt dan dus in de rede dat minstgenomen een reactie van een rechter volgt als de verdediging aanvoert dat een EVRM-recht is geschonden. Daarmee zeg ik nog niet dat de rechter ook bepaalde consequenties aan zo’n verweer moeten verbinden; maar ik zal overigens niet nalaten om aan het voorgaande direct toe te voegen: jazeker, een rechtsmiddel verlangt mijns inziens óók het verbinden van consequenties bij een ongerechtvaardigde inbreuk om effectief te kúnnen zijn. Maar dat is stap twee.

De visie van het EHRM gaat denk ik nog verder. Het uitblijven van een inhoudelijke beoordeling van een (impliciet) gestelde inbreuk op een EVRM-recht vanwege de vorm waarin het verweer is gevoerd, levert niet alleen een schending op van het desbetreffende EVRM-recht zelf. Het zal zelfs een schending van het recht op een eerlijk proces ex art. 6 EVRM kunnen opleveren als de schending van een EVRM-recht bijvoorbeeld ook nog eens belastend bewijs oplevert dat in het strafproces tegen de verdachte wordt gebruikt. In dat kader overweegt het Hof in zijn arrest inzake Bykov tegen Rusland van 10 maart 2009:

“89. (…) The question which must be answered is whether the proceedings as a whole, including the way in which the evidence was obtained, were fair. This involves an examination of the ‘unlawfulness’ in question and, where a violation of another Convention right is concerned, the nature of the violation found.

Het nalaten van het toetsen van een vormverzuim kan in dat licht dus ook het recht op een eerlijk proces “as a whole” raken. Daarbij past niet het formalistische verwijt dat door of namens de verdachte bepaalde factoren niet (volledig) zijn genoemd; al was het maar omdat de rechter ambtshalve verantwoordelijk is voor een eerlijk proces. Een formalistische benadering van een “359a-verweer” zou misschien nog enigszins begrijpelijk zijn als óók scherp werd toegezien op naleving vormen politie en/of justitie – al meen ik dat een verdachte ook in dat geval, als individu, op meer bescherming mag rekenen. Maar als de politie en justitie mag rekenen op een niet al te kritische houding van de rechter, dan mag de verdachte toch tenminste horen waarom dat het geval is als hij tegelijkertijd wel in een fundamenteel mensenrecht is geraakt.

Posted in: Strafrecht