PvhHvdBTI&R: "Partij voor het Herstel van de Balans Tussen Instrumentaliteit & Rechtsbescherming”

PvhHvdBTI&R: "Partij voor het Herstel van de Balans Tussen Instrumentaliteit & Rechtsbescherming”
20 juni 2018

Op twitter werden een aantal advocaten, waaronder ondergetekende, vandaag door @bartnooitgedagt getagd met de opmerking dat wij betere ministers van rechtsbescherming zouden vormen dan de huidige. Dit als reactie op een aantal tweets waarin (wederom) de nodige kritiek werd geuit op het beleid van deze minister en dus het beleid van deze regering. De afgelopen dagen verscheen in het nieuws, althans in ieder geval in mijn timeline, dat zowel de Nederlandse Orde van Advocaten, de Raad voor de Rechtspraak en Raad voor Strafrechtstoepassing (RSJ) het wetsvoorstel met betrekking tot de wijziging van de voorwaardelijke invrijheidsstelling ontraden, of in ieder geval aanraden dat voorstel te heroverwegen. Het zal mij benieuwen of dat ook daadwerkelijk gebeurt. Bij gelegenheid van eerdere media-aandacht werd dit voorstel door de minister en vertegenwoordigers van andere regeringspartijen immers nog met hand en tand verdedigd. Zowel de minister als bijvoorbeeld kamerlid Van Toorenburg van het CDA stelden dat het verlenen van voorwaardelijke invrijheidsstelling een automatisme zou zijn en dat de grootste criminelen de grootste cadeaus zouden krijgen. In Nieuwsuur zei Van Toorenburg nog dat uit onderzoek zou blijken dat iemand eigenlijk maar effectief twee jaar wordt gevolgd. Sindsdien wordt haar op twitter door advocaat Jeroen Soeteman dagelijks gevraagd aan te geven welk onderzoek dat is, tot op heden zonder reactie. Uit het deze maand verschenen onderzoek van de Erasmus Universiteit, in opdracht van de regering, die daartoe door de tweede kamer was aangespoord, blijkt overigens dat de huidige praktijk goed werkt en dat voorwaardelijke invrijheidstelling bepaald geen automatisme is.

Kritiek
Waar de toepassing van voorwaardelijke invrijheidsstelling dus allerminst een automatisme is, lijkt het wel een automatisme te zijn dat deze regering repressieve wetsvoorstellen doet die voor de bühne leuk klinken en die volgens deze regering tot een hardere aanpak van criminelen en tot meer veiligheid zouden leiden, terwijl de implicaties, het nut en de noodzaak van dergelijke voorstellen in het geheel niet zijn onderzocht. Uit de voorstellen en de argumenten die bij indiening van dergelijke voorstellen worden gegeven blijkt ook vaak dat de kennis van het strafrecht en de geldende regelgeving ver te zoeken is. De professionals die dagelijks met de strafpraktijk te maken hebben geven vervolgens ook allemaal aan dat die voorstellen slecht zijn, niet alleen de advocatuur, maar dus ook bijvoorbeeld rechtspraak en RSJ. Die kritiek lijkt echter aan dovemans oren gericht. De huidige regeling zou aan het publiek niet uit te leggen zijn, is dan een veelgehoord en kennelijk doorslaggevend argument. Maar enige moeite op daadwerkelijk uit te leggen hoe het werkt lijkt deze regering zich niet te getroosten, er aldus vanuit gaande dat men zelf al weet hoe het werkt, waaraan gelet op de hiervoor aangehaalde onjuiste uitlatingen van vertegenwoordigers van deze regering, sterk valt te twijfelen. Het regeerakkoord en de daarin vervatte repressieve maatregelen moeten kennelijk coûte que coûte doorgevoerd worden, hoe onterecht de veronderstellingen die aan die maatregelen ten grondslag liggen ook blijken te zijn. Dat is bijvoorbeeld ook te zien bij het in het regeerakkoord opgenomen voorstel een verschijningsplicht in te voeren voor verdachten van gewelds- en zedenmisdrijven, waar ook bijzonder veel weerstand vanuit de praktijk, door alle procesdeelnemers, tegen bestaat. Uit die wetsvoorstellen en al wat daaraan ten grondslag ligt, het regeerakkoord en daarvoor nog weer de verschillende verkiezingsprogramma’s, volgt dat deze regering die verdere repressie kennelijk als heilzaam ziet. Het strafrecht wordt als instrument gezien om de gevoelens van veiligheid en rechtvaardigheid bij burgers te vergroten.

Instrumentaliteit en rechtsbescherming
Ik reageerde op de tweet waar ik in het begin van deze blog aan refereerde met de opmerking dat een partij voor het herstel van de balans tussen instrumentaliteit en rechtsbescherming zou moeten worden opgericht. Uiteraard een grapje, maar toch zou het zeker geen slecht idee zijn als de huidige regering het boek waar ik de partijnaam ten dele aan ontleend heb zou lezen (R. Foqué & A.C. ’t Hart, Instrumentaliteit en Rechtsbescherming; grondslagen van een strafrechtelijke waardendiscussie, Arnhem: Gouda Quint 1990). Zogenaamde instrumentalisten zien het strafrecht kort gezegd als een middel om meer veiligheid te creëren. De auteurs omschrijven het instrumentalisme als de visie waarin het strafrecht bij uitsluiting als een dwangmiddel om een bepaald maatschappelijk doel te bereiken wordt opgevat. Het gaat daarbij bovendien om een politiek bepaald doel, extern aan het strafrecht. Bij een instrumentalistische benadering van het strafrecht wordt rechtsbescherming vaak tegenover instrumentaliteit gezet, meer rechtsbescherming zou tot een vermindering van doelmatigheid en dus instrumentaliteit leiden. Echter, strafrechtelijk instrumentalisme gaat verder dan de daadwerkelijke instrumentaliteit van het strafrecht. De repressieve maatregelen zorgen niet daadwerkelijk voor meer veiligheid, zijn dus niet daadwerkelijk instrumenteel, terwijl daar wel verlies van verworven rechten en vrijheden tegenover staat. Instrumentalisten verliezen met andere woorden vaak uit het oog dat het strafrecht maar tot op zekere hoogte een daadwerkelijk bruikbaar instrument is om tot die o zo gewenste hogere mate van veiligheid te komen ((voor de gebreken die aan het strafrecht kleven verwijs ik hier graag naar de filosofie van Jeremy Bentham, zoals onder meer opgenomen in zijn ‘Principles of Penal Law’). Instrumentaliteit en rechtsbescherming moeten dan ook niet als tegenpolen gezien worden, waarbij meer van het een leidt tot minder van het ander, maar als onlosmakelijk met elkaar verbonden en in elkaar verweven begrippen. Over de instrumentaliteit van rechtsbescherming zeggen Foqué en ’t Hart dan ook: “De instrumenten die de overheid in handen worden gegeven door een democratisch gekozen meerderheid, mogen alleen worden ingezet voor zover daarmee de rechtsbescherming van alle rechtssubjecten op gelijke wijze wordt gediend”. Alle rechtssubjecten, dus niet alleen slachtoffers of bezorgde burgers, maar ook en juist verdachten hebben daar recht op.

Wetsvoorstel intrekken
Als deze minister de titel ‘Minister voor Rechtsbescherming’ daadwerkelijk waard wil zijn, als het kabinet met deze nieuw ingestelde ministerpost daadwerkelijk rechtsbescherming voor alle rechtssubjecten op het oog heeft gehad, zou het sieren als men de hier genoemde plannen intrekt, de moeite neemt uit te leggen waarom het huidige systeem werkt zoals het werkt en de moeite neemt uit te leggen dat strafrecht nu eenmaal geen heilzame werking heeft en dat de instrumentaliteit van het strafrecht beperkt is.

Verzoek
Ik vrees echter dat mijn hoop ijdel is en dat de regering aan de plannen vast zal houden. Maar dan toch op deze plaats het vriendelijke doch dringende verzoek de naam van de ministerspost te wijzigen zodat de Minister voor Rechtsbescherming voortaan de Minister voor Instrumentaliteit genoemd kan worden. Dan wordt het beestje tenminste bij de naam genoemd en wordt de schijn niet onnodig opgehouden.

Opmerkingen