Schulden en de aangepaste vermogensrendementsheffing per 2022

Schulden en de aangepaste vermogensrendementsheffing per 2022
1 april 2020 166 keer bekeken

In een brief van de staatssecretaris van Financiën van 6 september 2019  zijn de contouren geschetst van aanpassingen van het huidige box 3-stelsel die in het bijzonder erop gericht zijn belastingplichtigen met vooral of uitsluitend spaargeld tegemoet te komen. In vogelvlucht betreffende deze aanpassingen: (i) aansluiting bij de werkelijke vermogenssamenstelling van een belastingplichtige, (ii) een verdeling van het vermogen van een belastingplichtige in drie vermogenscategorieën (spaargeld, overige bezittingen en schulden), (iii) een per vermogenscategorie gedifferentieerd forfaitair rendement, (iv) invoering van maatregelen ter voorkoming van peildatumarbitrage, (v) de introductie van een heffingvrij box 3-inkomen ter grootte van € 400 en (vi) een verhoging van het nominale belastingtarief naar (circa) 33%. Een tot invoering van deze aanpassingen strekkend voorstel van wet zal in juni van dit jaar worden ingediend.  Beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2022. In deze bijdrage zal ik ingaan op enkele aspecten die samenhangen met de voorgenomen introductie van een aparte vermogenscategorie omvattende schulden. Ten slotte zal ik een alternatief aanpassingsvoorstel van het huidige box 3-stelsel schetsen.

Schulden

In de brief wordt de keuze om schulden voortaan apart in aanmerking te nemen mede onderbouwd door de doelstelling van het beperken van de prikkel schulden aan te gaan. Overigens wordt in eerdergenoemde brief over de nadere invulling van het begrip ‘schulden’ vrijwel niets opgemerkt. Slechts wordt opgemerkt dat ‘(i)n de nadere uitwerking zal worden onderzocht of het mogelijk is om de debetrente op schulden beter aan te laten sluiten bij de werkelijke samenstelling van de schulden van huishoudens’.  In aanmerking nemende dat de door de staatssecretaris van Financiën geformuleerde uitgangspunten mede omvatten ‘dat de heffing aansluit bij het gevoel van rechtvaardigheid en de draagkracht van de belastingbetaler, dat de bepaling van de grondslag uitlegbaar is’, kan er niet aan worden ontkomen dat binnen de vermogenscategorie schulden een differentiatie plaatsvindt. Ter illustratie hiervan kan het volgende voorbeeld dienen. Een belastingplichtige heeft een tweetal bezittingen: een banktegoed ter grootte van € 20.000 en een verhuurde onroerende zaak ter waarde van € 480.000 en geen schulden. In het nieuwe box 3-stelsel is hij jaarlijks een bedrag aan vermogensrendementsheffing verschuldigd ter grootte van € 8.316. Stel dat hij besluit het vastgoed te verkopen voor een prijs van € 480.000 en met de koper overeenkomt dat de levering plaatsvindt op 30 december van dat jaar dan wel op 2 januari van het daaropvolgende jaar. In beide gevallen wordt de koopsom voldaan op 2 januari van het daaropvolgende jaar. Bij levering op 30 december blijft het door de belastingplichtige verschuldigde bedrag aan vermogensrendementsheffing ter zake van zijn box 3-vermogen per 1 januari van het daaropvolgende jaar ongewijzigd (aannemende dat de forfaitaire rendementen, het heffingvrije inkomen en het belastingtarief ongewijzigd blijven). Echter, bij levering van het pand op 2 januari bestaat zijn box 3-vermogen (per de peildatum) uit spaargeld ter grootte van € 20.000, overige bezittingen (vordering op koper en het vastgoed) ter waarde van € 960.000 en een schuld (de leveringsverplichting ter zake van het vastgoed) ter waarde van € 480.000. Aangezien schulden in het aangepaste box 3-stelsel een afzonderlijke vermogenscategorie vormen met een eigen forfaitair rendement, stijgt de ter zake van dat jaar verschuldigde vermogensrendementsheffing opeens naar een bedrag van € 11.959. Een stijging met een bedrag van € 3.643 (en procentueel met bijna 44%) als gevolg van een ‘late’ levering van het vastgoed. Deze ‘straf’ op een ‘late’ levering valt een belastingplichtige niet uit te leggen en is niet te rijmen met het feit dat in economisch opzicht de draagkracht van de belastingplichtige ongewijzigd is gebleven. Tevens valt niet in te zien hoe deze uitkomst bijdraagt tot het beperken van het aangaan van schulden door belastingplichtigen. Het is duidelijk dat in het aangepaste box 3-stelsel op een juiste wijze rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat een belastingplichtige (per de relevante peildatum) nog slechts de kale juridische eigendom van een bezitting houdt.

Dit is het eerste deel van een NTFR Opinie geschreven door prof. dr. R.P.C. Cornelisse. De volledige opinie kunt u hier inzien. Deze Opinie is opgenomen in NTFR nummer 9 van 27 februari 2020 (NTFR 2020/513).