Swipe to the left

Strafrecht, net schaken – strategisch gebruik van rechtsmiddelen

Print
By 17 januari 2017 15536 keer bekeken Geen opmerkingen

Strategisch gebruik van rechtsmiddelen in het strafrecht. Het gebeurt, maar te weinig. Zowel in hoger beroep als in cassatie is het vaak mogelijk om beperkt (cassatie)beroep in te stellen. Zelfs in eerste aanleg is het voor de verdediging soms mogelijk – en gunstig -om een beperking aan te brengen in de omvang van het strafproces. Elke fase van het strafproces kent echter wel zijn eigen bijzonderheden en (on)mogelijkheden.

Eerste aanleg
In eerste aanleg geldt dat het OM geregeld feiten “ ad informandum” (hierna: a.i.) voorlegt aan de rechter. Dit speelt vooral bij zaken waar de verdachte tal van strafbare feiten wordt verweten. Voor de leek: dit zijn feiten die het OM niet hoeft te bewijzen, voldoende is dat
- het OM tijdig vóór aanvang van de zitting de verdachte informeert dat het aan de rechter zal vragen om bij de strafoplegging rekening te houden met het a.i.-feit en
- het aannemelijk is dat de verdachte de feiten begaan heeft en ten overstaan van de rechter bekend heeft (vgl. o.m. HR 30 september 2008, LJN BE9803).
Consequentie van deze regeling is dat het OM geen afzonderlijke vervolging meer hoeft in te stellen voor deze feiten. Dit draagt bij aan een efficiënt strafproces.

Bij een a.i.-tenlastelegging heeft de verdachte het feit meestal al bekend op het politiebureau. Toch kan het vanuit oogpunt van de verdediging ook dan verstandig zijn om het feit níet ter zitting te bekennen. Bijvoorbeeld omdat er een raakvlak is met een ontnemingszaak (valt er misschien toch verdediging te voeren op bijv. medeplegen, de pleegperiode of iets anders van het a.i.-feit?) of omdat de maximale werkstraf in het geding is.

Waar het gaat om de maximale werkstraf is een uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 1 december 2016 interessant (ECLI:NL:RBGEL:2016:6469). In die zaak is een werkstraf van in totaal 360 uren werkstraf opgelegd. Volgens artikel 22c lid 2 Sr is de maximale werkstraf 240 uren, maar de Rechtbank wijst – mijns inziens terecht – op een uitspraak van de Hoge Raad van 28 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8324. Kort en goed komt die uitspraak erop neer dat in geval van samenloop (d.w.z. meerdere strafbare feiten naast elkaar) de wet niet voorziet in een maximering van de totale werkstraf.

Opmerking verdient dat a.i.-feiten niet afzonderlijk bestraft kunnen worden. De uitspraak van de Rechtbank Gelderland is in dat geval dus niet bruikbaar als strafmaatverweer. In veel zaken zal een veelheid aan feiten dan betekenen dat een gevangenisstraf onvermijdelijk is. Toch kan de verdediging ook dan soms zelf een mogelijkheid creëren om een werkstraf te bepleiten: als de verdachte de a.i.-feiten niet ter zitting bekent, dan zal het OM – als men dat wil – deze feiten alleen aan de rechter kunnen voorleggen als het daarvoor separaat vervolgt. In een niet-gepubliceerde uitspraak van het (toenmalige) Hof Arnhem van 23 augustus 2012 met parketnummer 21/000507-12 heeft dit in een omvangrijke fraudezaak geleid tot een tweede werkstraf (voor de aanvankelijk a.i. tenlastegelegde feiten) van 240 uur in een dossier waarin de verdachte ook al eerder (voor de niet a.i.-feiten) 240 uren werkstraf had gekregen. Waren de feiten bij elkaar gebleven, dan was slechts een gevangenisstraf denkbaar geweest.

Hoger beroep
Ook in beroep heeft de verdediging (en het OM) invloed op de feiten die aan de rechter worden voorgelegd: artikel 407 Sv biedt de mogelijkheid om het beroep te beperken tot een of meer van de tenlastegelegde (en door de Rechtbank bewezen verklaarde) strafbare feiten (vgl. in dit verband bijv. HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:2526, rov. 3..3.2). In dat geval dient het Hof op grond van art. 423 lid 4 Sv te bepalen welk deel van de door de Rechtbank opgelegde straf betrekking heeft op het feit waartegen géén beroep is ingesteld (vgl. ook o.a. HR 4 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5835). In de praktijk blijkt dit vaak lastig, niet zelden lopen hierover de meningen in beroep uiteen. Voor de hand liggend is als eerste te kijken wat de Rechtbank in de strafmaatoverwegingen over het bewuste feit heeft gezegd en in welke relatie dat staat tot de strafmaat betreffende de feiten die in beroep wel aan de orde zijn. Daarbij is relevant dat het Hof in ieder geval formeel niet zélf de ernst van het betreffende feit meer mag bepalen, men moet zich (proberen te) verplaatsen in de gedachtengang van de Rechtbank.

Door scherp te zijn op beperking van het beroep zijn er geregeld voordelen te halen waar het gaat om de strafmaat (denk ook aan het minimaliseren van risico op een hogere straf!). Ook op het gebied van ontneming kan er profijt behaald worden: in feiten waarvoor Rechtbanken veroordelen, zitten niet zelden partiële vrijspraken verscholen. Denk aan een beperking van de pleegplaats, pleegperiode, gedragingen (bijvoorbeeld vrijspraak van verkopen van een goed) of mate van betrokkenheid (medeplegen versus medeplichtigheid). Als gevolg van de Geeringsjurisprudentie (EHRM 1 maart 2007, NJ 2007, 349) kan dan voor het deel waarvan is vrijgesproken geen illegaal verkregen voordeel ontnomen worden.

Cassatie
Procespartijen kunnen ook in cassatie strategische keuzes maken. In HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610 heeft de Hoge Raad uiteengezet welke beperkingen in het cassatieberoep kunnen worden aangebracht:

2.4. Een redelijke, aan de behoeften van de praktijk beantwoordende uitleg van art. 429 Sv brengt daarom mede dat

(i) in geval van een samengestelde tenlastelegging het cassatieberoep kan worden beperkt tot de beslissingen over (cumulatieve, alternatieve en/of primaire) onderdelen van de tenlastelegging waarin een zelfstandig strafrechtelijk verwijt is omschreven, en

(ii) het cassatieberoep kan worden beperkt tot een der in de art. 348-350 Sv genoemde beslissingen, mits de ingevolge die bepalingen daarop voortbouwende of daarmee onlosmakelijk verbonden beslissingen niet zijn uitgezonderd. Als voorbeeld kan worden genoemd dat bij een veroordeling tot een samenstel van straffen het cassatieberoep niet kan worden beperkt tot de bewezenverklaring of tot een gedeelte van de opgelegde straffen.

Deze overwegingen laten zien dat beperking van het cassatieberoep een (nog) complexere afweging is dan de beperking van het hoger beroep. Relevant is voor ogen te houden dat het beslisschema van de artt. 348 en 350 Sv na terug-/verwijzing altijd doorlopen moet kunnen worden. Bijvoorbeeld: bij een cassatieberoep in een zaak die ziet op diefstal door middel van braak en/of verbreking, kan het beroep niet beperkt worden tot uitsluitend de braak: daar kan de verwijzingsrechter na cassatie immers door in de knel komen. Maar anders zou het kunnen liggen bij een bewezenverklaring die ziet op mensenhandel, waarin onder één enkel feit meerdere strafbare gedragingen worden beschreven. De Hoge Raad lijkt in dat geval een beperking van cassatieberoep mogelijk te maken, op deze wijze zijn onder omstandigheden dus gunstige beslissingen van het Hof veilig te stellen. Of in een zelfde situatie (zelfstandige en afzonderlijke strafbare feiten, beschreven in één feitencomplex) overigens beperking van hoger beroep mogelijk is, is afhankelijk van de uitleg van de tenlastelegging door het Hof (vgl. ECLI:NL:HR:2016:2521).

Conclusie
Ook in ogenschijnlijk eenvoudige strafzaken is het belangrijk om weloverwogen strategische keuzes te maken. Het OM is zeker niet altijd dominus litis. Wel is het zo dat elke fase zijn eigen bijzonderheden en mogelijkheden kent. Strafrecht is wat dat betreft net schaken: verstandig gebruik van sommige spelregels vereist geen meesters, maar grootmeesters.

Posted in: Strafrecht