Swipe to the left

Strijd om stukken; ‘Escape plan’

Print
Strijd om stukken; ‘Escape plan’
By 3 maanden geleden 4688 keer bekeken Geen opmerkingen

In een aantal recente blogs dat ik voorbij zag komen, werd aandacht besteed aan het moment waarop de verdediging recht zou hebben de stukken in te zien. Zo stelde advocaat Vasco Groeneveld dat uit de wet en de Europese richtlijn waar die wet op gebaseerd is op grond van artikel 30 Sv voor het eerste verhoor inzage moet worden verleend in de processtukken (http://ivorentoga.nl/archieven/4493). Groeneveld stelt in zijn blog overigens dat artikel 30 Sv een slapend bestaan leidt en vrijwel nooit door advocaten wordt ingeroepen. Dit terwijl ik samen met mr. Verweijen toch al in 2014 in het advocatenblad ‘tips voor de verdediging’, publiceerde, over het recht op kennisname van processtukken (http://advocatenblad.nl/2014/11/27/tips-voor-de-verdediging/#sdfootnote3sym).

Verschillende opvattingen
Advocate Mirthe Docter was in haar blog voor deze site iets genuanceerder dan Groenveld (https://www.sdu.nl/blog/kennisname-van-processtukken-theorie-vs-praktijk.html). Officier van justitie Ward Ferdinandusse reageerde op de blog van mr. Groeneveld en stelde dat uit artikel 30 Sv niet een recht op kennisname vóór het eerste verhoor volgt (http://ivorentoga.nl/archieven/4497). Hij sluit zijn blog overigens af met de opmerking dat het OM -waar het onderzoek dat toelaat- zich wat vaker toeschietelijk mag tonen als een advocaat in een vroege fase om stukken verzoekt. Hij merkt daarbij nog op dat niet alle zaken zich daarvoor evengoed lenen. Hoewel hij dus stelt dat het OM toeschietelijker mag zijn, benadrukt hij wel maar liefst twee keer in een zin dat niet alle zaken zich daarvoor lenen, die toeschietelijkheid lijkt dus eerder een uitzondering dan regel.

Overigens meen ik dat, vooral kijkend naar de Engelse tekst, in ieder geval gezegd kan worden dat de nu geldende praktijk waarbij de verdachte en diens advocaat vaak enkel het vermeend overtreden wetsartikel te horen krijgen, in strijd is met het doel en de strekking van de richtlijn. Uit paragraaf 28 van de preambule blijkt immers dat met ‘information’ wordt gedoeld op een zo concreet en gedetailleerd mogelijke omschrijving van het vermeende strafbare feit (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/?uri=CELEX:32012L0013&from=NL). Op basis daarvan zou betoogd kunnen worden dat het zeker niet onredelijk is om al voor het eerste verhoor bijvoorbeeld inzage in het overzichtsproces-verbaal te verzoeken, voor zover reeds voorhanden. Vastgesteld kan wat mij betreft in ieder geval worden dat uit artikel 30 Sv en uit de richtlijn volgt dat toch zeker na het eerste verhoor recht bestaat op de processtukken, aldus ook voor het tweede verhoor. De afsluiting van de blog van officier van justitie Ferdinandusse doet echter vermoeden dat het effectueren van dat recht zeker niet altijd makkelijk zal zijn. Dat blijkt overigens ook uit de blogs van de advocaten, de politie en het OM zijn hier gewoonweg niet op ingericht. De vraag is dus ook vooral hoe dat recht in een vroege fase (in ieder geval na het eerste en dus voor het tweede verhoor) geeffectueerd kan worden.

Groeneveld heeft als titel voor zijn blog; ‘No more mr Nice Guy: Verhoor? Dossier op tafel!’. Ferdinandusse trekt deze filmanalogie door en noemt ook mr. Nice Guy. Ik persoonlijk heb het niet zo op Jackie Chan. Mijn grote voorbeelden en inspiratoren zijn Sylvester Stallone en Arnold Schwarzenegger, ik zou vooral iedereen aanraden de autobiografie ‘Total Recall’, van die laatste te lezen. Een van de eerste films waarin Schwarzenegger weer een hoofdrol vertolkte na zijn politieke carrière is ‘Escape Plan’. In die film zit hij samen met Stallone gevangen in een zwaarbeveiligde gevangenis op een schip, waaruit zij moeten zien te ontsnappen.

Het ‘escape plan’
Wat is nu in het licht van artikel 30 Sv het ‘escape plan’, op welke wijze kan bewerkstelligd worden dat daadwerkelijk in ieder geval na het eerste en voor het tweede verhoor, of dus zelfs eerder, inzage in de stukken gegeven wordt? Zowel Groeneveld als Docter noemen daarbij de mogelijkheid niet meer mee te werken aan een nader verhoor. Geen stukken, dan dus geen verklaring. Dit kan effectief zijn, maar kan, zoals Docter terecht signaleert, ook in het nadeel van de verdachte uitpakken. Soms kan het op zijn minst wenselijk zijn in een vroeg stadium een verklaring af te leggen. Maar het toch afleggen van die verklaring zonder inzage in de stukken, brengt uiteraard risico’s met zich. Om maar een voorbeeld te noemen, de verdachte die verdacht wordt van valsheid in geschrifte, maar niet weet op welke facturen of documenten het onderzoek ziet. Die zou dan de bestaande verdenking mogelijkerwijs zelf uitbreiden, door bijvoorbeeld over zaken te verklaren waar het onderzoek nog helemaal niet op ziet. Daar ligt wat mij betreft een duidelijk, en gelet op de onschuldpresumptie en het recht jezelf niet te incrimineren, belang de stukken in te zien voor een (nader) verhoor.

Artikel 30 lid 2 Sv
Behalve de harde lijn van het niet meer meewerken, is er wat mij betreft nog een andere optie. Lid 2 van artikel 30 Sv bepaalt dat de Rechter-Commissaris de officier van justitie een termijn kan stellen, op verzoek van de verdachte, indien de OvJ in gebreke blijft aan lid 1 van 30 Sv te voldoen. Met dat in het achterhoofd kan tijdens of na het eerste verhoor het OM gemaild worden, met het verzoek om voor het tweede verhoor, gelet op aldus artikel 30 Sv, de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. Weigert de OvJ of wordt niet tijdig een reactie ontvangen, dan kan dus op de voet van artikel 30 lid 2 Sv aan het kabinet rechter-commissaris verzocht worden om de OvJ een termijn te stellen waarbinnen die stukken moeten worden verstrekt. Daarbij kan het verzoek gedaan worden die termijn te bepalen op minimaal een uur voor een (nader) verhoor, met als onderbouwing dat anders aan het in artikel 30 Sv neergelegde recht afbreuk wordt gedaan. Ook is mijns inziens verstandig daarbij op te merken dat het bepalen van de procespositie door de verdediging geen reden is stukken te onthouden (Rb. Alkmaar 5 juli 2004, NBSR 2004/108).

Ervaringen
Ik moet bekennen dat in de zaken waar ik op deze wijze heb gehandeld, nog nimmer een inhoudelijk oordeel door de R-C is gevolgd. Dat heeft er echter mee te maken dat in die zaken het OM alsnog tot verstrekking is overgegaan, naar aanleiding van het bij de R-C ingediende verzoek. Kortom, dit kan de escape zijn om daadwerkelijk en effectief het in artikel 30 Sv neergelegde recht uit te oefenen, zonder dat dit ertoe leidt dat rigoureus niet meer meegewerkt wordt.

Posted in: Strafrecht