Swipe to the left

Valt de sociale advocatuur ten prooi aan arbeidsuitbuiting?

Print
Valt de sociale advocatuur ten prooi aan arbeidsuitbuiting?
By 5 december 2017 31891 keer bekeken Geen opmerkingen

Casus: een advocaat uit Amsterdam krijgt op maandag een piketmelding. De cliënt is wegens collusiegevaar overgebracht naar het cellencomplex in Houten. Hij wil consultatiebijstand en verhoorbijstand. Gedurende drie dagen wordt hij gehoord over 22 inbraken waarvan hij verdacht wordt. De tijdsbesteding van de advocaat is exclusief reistijd 16 uren, inclusief reistijd 23 uren. De totale vergoeding bedraagt 315 Euro (ex Btw en 9 ct/km). Is hier sprake van mensenhandel? (n.b. abstraheer van de Pikmeerjurisprudentie)

Bij de laatste cursussen over het onderwerp mensenhandel die ik geef aan strafadvocaten heb ik deze casus voorgelegd aan de cursisten. Steevast is de eerste lacherige opmerking dat hier uiteraard sprake is van mensenhandel. Of dit antwoord juist is, is aan het slot van deze blog te lezen. Reden waarom ik deze blog met deze prikkelende casus begin, is om direct inzichtelijk te maken dat de beloning enerzijds en de duur van de (verplichte!) werkzaamheden van advocaten anderzijds soms fors uiteenlopen. Dat is precies een situatie die zich vaak - zo niet altijd - voordoet in mensenhandelzaken.

Gesubsidieerde rechtsbijstand, bevindingen van en discussie na Commissie Van der Meer
Over het stelsel van de gesubsidieerde rechtsbijstand is veel te doen. Advocaten klagen steen en been over de magere, niet of nauwelijks kostendekkende vergoedingen. De Commissie Van der Meer - met daarin o.a. leden uit de rechterlijke macht, het ministerie van Justitie en Veiligheid en de Raad voor Rechtsbijstand - heeft recent vastgesteld dat advocaten gemiddeld veel meer tijd aan hun zaken besteden dan zij vergoed krijgen. De conclusie is dat toevoegingsadvocaten jaarlijks 11.000 euro tekort komen. De Minister voor Rechtsbijstand heeft aangegeven in ieder geval vooralsnog niet bereid te zijn om het tekort aan te vullen.

Het rapport van de Commissie Van der Meer heeft veel stof doen opwaaien. Uit onverdachte hoek is de vaststelling simpel: de beloning van de sociale advocatuur is niet redelijk. In alle ophef die hierop is gevolgd heb ik één invalshoek nog niet voorbij zien komen en dat is de vraag of hier sprake is of zou kunnen zijn van arbeidsuitbuiting. Op het eerste gezicht lijkt dit misschien zwaar aangezet, maar op basis van de wet, de wetsgeschiedenis en de stand van de jurisprudentie is het niet onzinnig om ook met deze bril eens naar dit onderwerp te kijken.

Mensenhandel algemeen
Mensenhandel is strafbaar gesteld in art. 273f Sr. Voor het onderwerp van deze blog is relevant dat veel mensen bij mensenhandel vooral denken aan “slavernij”, mensonterende omstandigheden in de prostitutie en wat dies meer zij. Sinds 2005 zijn ook vormen van uitbuiting buiten de prostitutie strafbaar gesteld als mensenhandel. Voor deze vorm van mensenhandel wordt vaak de term “arbeidsuitbuiting” gebruikt.

Wanneer is er sprake van arbeidsuitbuiting? Het richtinggevende arrest is HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7097. De Hoge Raad heeft in dit arrest overwogen dat de vraag of en wanneer er sprake is van uitbuiting niet in algemene termen te beantwoorden is. Beantwoording van deze vraag is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Volgens de Hoge Raad komt daarbij onder meer betekenis toe aan:

- de aard en duur van de tewerkstelling,
- de beperkingen die de tewerkstelling voor betrokkene meebrengt, en
- het economisch voordeel dat de tewerksteller behaalt.

Van belang is verder de notie dat de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven het referentiekader vormen. Met andere woorden: iemand die met veel plezier en inzet werkzaamheden verricht maar daarvoor naar Nederlandse maatstaven benedenmaats betaald krijgt, kan heel goed slachtoffer zijn van arbeidsuitbuiting.

In mensenhandelzaken geldt verder de aanname dat als een slachtoffer door een bepaald dwangmiddel redelijkerwijze geen keuze heeft gehad dan de toestand van uitbuiting te ondergaan, de vrije wil bij het slachtoffer wordt geacht te ontbreken. Het misbruik maken van die situatie levert strafrechtelijke uitbuiting op. Ongeacht of sprake is van instemming met de uitbuiting; instemming is strafrechtelijk irrelevant. Om het iets levendiger te maken: als een werknemer uit bijvoorbeeld het Oostblok in Nederland een vergoeding krijgt lager dan het minimumloon – waar iemand met die achtergrond misschien zelfs wel blij mee is - dan is zijn instemming met die beloning strafrechtelijk gezien een non-issue.

Sociale advocatuur, slachtoffers van mensenhandel?
Een van de dwangmiddelen die art. 273f Sr noemt is misbruik van een kwetsbare positie. Voorbeelden van een kwetsbare positie zijn een kwetsbare economische positie en een kwetsbare psychische/emotionele of sociale positie. Toegespitst op de sociale advocatuur laat het rapport van de Commissie Van der Meer overtuigend zien dat de sociale advocatuur zich in een kwetsbare economische positie bevindt. Waar het betreft de kwetsbare psychische/sociale positie: of het nu gaat om een echtscheiding, een arbeidsgeschil of een strafzaak, een rechtzoekende in nood kun je als sociaal advocaat niet in de kou laten staan. En dat geldt – zou ik menen – in nog sterkere mate voor bestaande cliënten: het is ondenkbaar om die in juridische noodsituaties de rug toe te keren. Als sociaal advocaat kun en mag je bovendien je ogen niet sluiten voor het leed van de samenleving, terwijl in bijvoorbeeld strafzaken (piket en zaken met voorlopige hechtenis) en familiezaken bijstand door een advocaat gewoonweg voorschrift is. De gevleugelde kreet “iemand moet het doen” is hier letterlijk van toepassing.

Met andere woorden: ik betrek de stelling dat vrijwel alle toevoegingsadvocaten bijna wekelijks, zo niet dagelijks in situaties terechtkomen waarin ze redelijkerwijs geen andere keus hebben dan om de rechtzoekende van dienst te zijn (vgl. art. 273f lid 6 Sr), ongeacht de vergoeding voor die werkzaamheden. Dit maakt de beroepsgroep kwetsbaar voor uitbuiting. In het geval er misbruik wordt gemaakt van deze situatie door voor die werkzaamheden naar Nederlandse maatstaven structureel fors onder te betalen, dan komt een vorm van uitbuiting (bijvoorbeeld voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander, art. 273f lid 1 sub 6 Sr) al snel in beeld.

De vraag is dan natuurlijk of de overheid met het huidige beloningsbeleid en het geen duimbreed willen toegeven misbruik maakt van de kwetsbare positie waarin menig toevoegingsadvocaat zich bevindt. Aan de hand van de drie belangrijke elementen (aard en duur van de tewerkstellingen, de beperkingen voor betrokkenen en het economisch voordeel voor in dit geval de Staat) die de Hoge Raad in het standaardarrest noemt, is dit goed te betogen, zeker voor dat deel van de toevoegingsadvocaten dat zich in een kwetsbare positie bevindt – het is een gegeven dat die advocaten er zijn. Veelgehoorde argumenten zijn dan: “Maar je hoeft het niet te doen, je kunt je laten omscholen, je kunt ook ander werk doen.” Het vorige kabinet heeft in mijn herinnering deze argumentatie ook gebruikt: advocaten zouden misschien andere rechtsgebieden erbij kunnen doen of meer commerciële zaken kunnen gaan doen. In de kern is dit allemaal niets anders dan zeggen dat iemand – in dit geval een sociaal advocaat – er zelf voor kiest om zijn of haar werkzaamheden uit te oefenen. Een verwijzing naar vrijwilligheid dus. Maar zoals hiervoor al aan de orde kwam: het veelgehoorde argument van vrijwilligheid is in mensenhandelzaken een non-argument.

Nu heeft de Hoge Raad niet gezegd dat de drie elementen (aard en duur van de tewerkstellingen, de beperkingen voor betrokkenen en het economisch voordeel voor in dit geval de Staat) allesbepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is van arbeidsuitbuiting. Evenzeer is het besef belangrijk dat niet elke onderbetaling direct betekent dat sprake is van uitbuiting. Slecht werkgeverschap of een lage beloning is gelukkig en vanzelfsprekend nog wel iets anders dan uitbuiting. Toch ben ik van mening dat de Staat zich hier van haar slechtste kant laat zien en wel om het volgende.

Het netto inkomen in de hoogste categorie van schaal 12 BBRA is € 3.191,29 per maand, inclusief vakantiegeld dus zo’n 41.500 euro per jaar. De sociale advocatuur zal circa per jaar 11.000 euro netto (!) meer moeten ontvangen wil het dit door de politiek als zodanig geaccepteerde redelijke inkomen kunnen halen. Hoewel ik graag voorzichtig en terughoudend wil zijn, ontkom ik niet aan de vaststelling dat het verschil fors is. En dat de overheid werkzaamheden verlangt en zelfs eist van de sociale advocatuur tegen een forse onderbetaling.

Zoals ik hiervoor al schreef, wil de Minister het tekort niet aanvullen. De Minister wijst daarbij ook op het internationale perspectief, Nederland hoeft zich in relatie tot andere landen niet te schamen voor het bedrag dat besteed wordt aan rechtsbijstand. In het bestek van het onderwerp van deze blog is deze argumentatie van de Minister niet overtuigend en naar mijn opvatting ook niet terzake doende: immers, niet het internationale perspectief is relevant, volgens het geldende recht vormen slechts de Nederlandse maatstaven (schaal 12 BBRA) het referentiekader bij eventuele arbeidsuitbuiting.

Afsluitend
Ik ben van mening dat we de zaken in het juiste perspectief moeten zien. Bij gebrek aan exacte, betrouwbare gegevens is het misschien nog wel verdedigbaar hoe de huidige tarieven tot stand zijn gekomen. De afgelopen jaren is er veel te doen geweest over de beloning van advocaten en er is veel onderzoek gedaan naar de beloning van advocaten; daardoor liggen de kaarten nu anders. Na het opstijgen van alle kruitdampen ligt er een gedegen, onderbouwd beeld dat een redelijk tarief bij lange na niet gehaald wordt. De Pikmeerjurisprudentie in combinatie met art. 5 van EU-richtlijn 2011/36 verhindert een daadwerkelijke strafrechtelijke aansprakelijkstelling van de Staat. Dit neemt niet weg dat de Staat een voorbeeldfunctie heeft. En dat de Staat via het Openbaar Ministerie partijen de maat neemt waar het gaat om onderbetaling en uitbuiting. En of het nu een situatie is van slecht werkgeverschap of een situatie die tendeert naar uitbuiting of zelfs uitbuiting is: een fatsoenlijke overheid zou ver van dit soort situaties vandaan moeten blijven.

Rest me nog de beantwoording van de casus uit de inleiding. Zolang het voorbeeld van de casus een incident is, dan ben ik van mening dat hier geen sprake is van arbeidsuitbuiting/mensenhandel: de duur van deze specifieke werkzaamheden is op zich beperkt, de beperkingen voor de betrokken advocaat zijn te overzien, het economisch voordeel voor de overheid is klein. Zodra een karige vergoeding (na aftrek van kosten wordt in dit voorbeeld een minimumloon niet eens gehaald) als hier structureel blijkt, dan zou de conclusie echter wel eens anders kunnen zijn. Het rapport van de Commissie Van der Meer biedt de Staat wat dat betreft een slechte verdediging. Opdat de Minister voor Rechtsbescherming zich hiervan bewust is.
Posted in: Strafrecht