Swipe to the left

Vertegenwoordiging bij douaneaangifte: lust of last?

Print
Vertegenwoordiging bij douaneaangifte: lust of last?
By mr. ing. Bart Boersma, RB – Customs Knowledge 13 november 2017 5135 keer bekeken Geen opmerkingen

Veel douaneaangiften worden gedaan met toepassing van vertegenwoordiging. Met de komst van het DWU is er in Nederland voor gekozen om aanvullende voorwaarden te stellen voor elke vorm van vertegenwoordiging. Vanaf 1 juli 2017 gelden ook nog andere (nationale) aanvullende voorwaarden. Maar zijn deze eisen wel te handhaven en hebben deze eisen wel een voldoende wettelijke grondslag?

Algemene eisen bij vertegenwoordiging

Vertegenwoordiging in douaneland betekent dat een ander dan de importeur of exporteur de aangifte verzorgt. Vaak is dat een douane-expediteur, dat hoeft echter lang niet altijd zo te zijn. Ook (andere) logistiek dienstverleners verzorgen aangiften, maar denk ook aan concerns waarbinnen één entiteit de logistiek afhandelt voor allerlei andere zustervennootschappen.
Die vertegenwoordiging kan feitelijk op drie manieren plaatsvinden:

  • met directe vertegenwoordiging,
  • indirecte vertegenwoordiging, of
  • met een aangifte op eigen naam en voor eigen rekening.


Die laatste vorm is nog wel vertegenwoordiging in civielrechtelijke zin, maar ‘douane-juridisch’ niet.
Bij directe en indirecte vertegenwoordiging – dat ik hierna aanduid als douanevertegenwoordiging – gelden enkele algemene eisen (zoals het kenbaarheidsvereiste, volmacht, vestigingseis). Voorts volgt uit artikel 18 lid 3 DWU dat een partij in ieder geval in elke lidstaat als douanevertegenwoordiger kan optreden, zodra hij aan de AEO-vereisten (van artikel 39 punten a – d DWU) voldoet.

Half werk: “voldoen” aan AEO-vereisten

De bepaling van artikel 18 lid 3 DWU beoogt slechts te waarborgen dat een lidstaat geen zwaardere eisen stelt aan partijen gevestigd in een andere lidstaat die zwaarder zijn dan het voldoen aan de AEO-vereisten. Weliswaar zijn er enkele (theoretische) redenen te noemen waarom je wel kunt voldoen aan de AEO-eisen maar niet de AEO-status zou willen hebben, maar erg geloofwaardig vind ik het allemaal niet. Een douanevertegenwoordiger heeft een belangrijke plaats in de douanelogistieke keten en daar zouden toch concrete normen voor kunnen worden gesteld.
Ook levert het een potentiële bewijsdiscussie op. Niet alleen hebben we te maken met nogal open en subjectieve normen voor de AEO-status, vooral de vraag hóe wordt aangetoond of je aan de eisen voldoet, lijkt mij subjectief. Zou het hebben van de AEO-status het criterium zijn, dan is het duidelijk. Immers, als je de AEO-status hébt, dan voldoe je eraan – althans, dat uitgangspunt zou toch moeten gelden – totdat de AEO-status wordt ingetrokken.
In de wet is niet vastgelegd hoe, wanneer en door wie dit dan wordt vastgesteld en vastgelegd. Dat kan zowel gevolgen hebben voor douanevertegenwoordigers die niet de AEO-status hebben, maar ook voor douanevertegenwoordigers die wél de AEO-status hebben en waarvan de inspecteur later stelt dat deze toch niet voldeed aan de AEO-vereisten. Het hebben van de AEO-status is immers geen garantie dat de inspecteur van de Douane toch niet oordeelt dat niet wordt voldaan aan de AEO-vereisten.

Aanvullende eisen vanaf 1 juli 2017

Naast en op basis van de voorwaarde dat moet worden voldaan aan de AEO-vereisten, heeft de Nederlandse Douane aanvullende eisen opgesteld. Deze eisen hebben betrekking op de criteria “deugdelijke administratie” en “praktische vakbekwaamheid of beroepskwalificaties”. Dat betekent dus dat “compliance” en “solvabiliteit” (nog) niet zijn uitgewerkt.
Wat is nu het gevolg als de Douane stelt dat niet wordt voldaan aan de (aanvullende) voorwaarden? Als u voldoet, krijgt u een kennisgeving en anders niet, zo blijkt uit een brief van de Douane. Het is dus een ‘kennisgeving’ waarmee wordt vastgesteld en medegedeeld of een douanevertegenwoordiger voldoet aan de regels. Tegen zo’n kennisgeving is echter dan waarschijnlijk geen bezwaar en beroep mogelijk, want het is geen besluit dat rechtsgevolg beoogt.

Aanvullende voorwaarden ontberen wettelijke grondslag

De aanvullende voorwaarden zijn opgenomen in … ja, waar zijn ze eigenlijk opgenomen? In een brief van de Douane aan diverse partijen, communicatie van de FENEX aan haar leden en het Handboek Douane. Dat is vreemd! Want aanvullende eisen moeten, conform artikel 1:10 lid 2 ADW, zijn vastgelegd in de Algemene Douaneregeling. Dat is dus echter niet het geval.
Nogmaals, het is goed dat het bedrijfsleven en de Douane hebben gezocht naar een nadere invulling va de AEO-criteria, maar als de Douane gaat handhaven op criteria of aanvullende voorwaarden die slechts zijn opgenomen in het Handboek Douane en niet – minimaal – in de Algemene Douaneregeling, dan meen ik toch dat er iets niet helemaal goed gaat.

Posted in: Douane