Swipe to the left

Vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel: een regeling met draconische gevolgen

Print
Vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel: een regeling met draconische gevolgen
By 18 days ago 32632 keer bekeken Geen opmerkingen

Slachtofferbescherming en slachtofferhulp. Daar is niets mis mee, integendeel. De wetgever en de beleidsmakers hebben volkomen terecht de afgelopen jaren in toenemende mate oog gekregen voor de positie van slachtoffers in het strafproces. Maar hoewel terecht, dit wil niet zeggen dat alle regels en plannen ook goede regels en plannen zijn. In een niet gering aantal gevallen leidt de steeds betere rechtspositie van het slachtoffer tot situaties die alles met leedtoevoeging en niets meer met slachtofferbescherming te maken hebben. Dit raakt niet alleen de daders in negatieve zin, ook slachtoffers hebben daar weinig aan. Vooral bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel komen situaties voor die in ieder geval mijn rechtsgevoel tarten.

Ik richt me in deze blog uitsluitend op deze vervangende hechtenis

De regeling
Voor de niet ingevoerde: een schadevergoedingsmaatregel is een door de strafrechter opgelegde maatregel tot betaling aan de staat ten behoeve van een slachtoffer als bedoeld in art. 36f Sr. Eenvoudiger gezegd: de rechter geeft de Staat de opdracht om het bedrag van de schadevergoeding te incasseren, zodat het slachtoffer niet zelf zijn schade hoeft te halen bij de dader. De wet schrijft hierbij voor dat de rechter moet bepalen dat als geen volledige betaling volgt, vervangende hechtenis wordt toegepast. Ik richt me in deze blog uitsluitend op deze vervangende hechtenis. De standaard verhoging bij te late betaling voelt ook niet (altijd) rechtvaardig maar dat laat ik buiten het bestek van deze bijdrage.

De wet en het OM-beleid, zoals hierna zal blijken, zijn hardvochtig en onredelijk te noemen

De civiele rechter over de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis
Tal van strafadvocaten lopen in de praktijk aan tegen zeer onwenselijke, vaak ook schrijnende gevolgen van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De wet en het OM-beleid, zoals hierna zal blijken, zijn hardvochtig en onredelijk te noemen. Om die reden heeft menig advocaat een kort geding aangespannen tegen de Staat der Nederlanden. Vrijwel iedere advocaat heeft daarbij zijn tanden stuk gebeten: de conclusie van rechters is steevast dat de overheid met de executie van de vervangende hechtenis niet onrechtmatig handelt.

De rechtbank Den Haag behandelt deze procedures. De lijn van de jurisprudentie is onder andere (het is vaste rechtspraak) te lezen in een recente uitspraak van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2017:10420, rov. 4.2 tot en met 4.5).

Kort weergegeven is de stand van zaken als volgt:
- een onherroepelijke, veroordelende beslissing van de strafrechter moet zo spoedig mogelijk ten uitvoer worden gelegd. Dat geldt ook voor de executie van een opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Daarbij kan uitstel van betaling worden verleend, dan wel kan betaling in termijnen worden toegestaan.
- het CJIB is belast met de executie van de schadevergoedingsmaatregel. Het CJIB is hierbij gebonden aan de "Aanwijzing executie" (Staatscourant 2016, 19890) (hierna 'de Aanwijzing', recht in de zin van art. 79 RO).
- In de Aanwijzing is opgenomen dat het CJIB in beginsel geen betalingsregeling treft en dat alleen op grond van bijzondere omstandigheden een verzoek daartoe kan worden gehonoreerd.
- De termijn waarbinnen volledige betaling moet plaatsvinden is in beginsel maximaal 12 maanden. In bijzondere gevallen kan de termijn worden verlengd tot hoogstens 36 maanden maar alleen als binnen de afgesproken termijn betaling van de gehele vordering aannemelijk is. Slechts in uitzonderingsgevallen kan van de maximale termijn van 36 maanden worden afgeweken. In dat geval wordt maatwerk toegepast in het individuele geval, maar ook dan moet de regeling er wel toe leiden dat het (totaal) verschuldigde bedrag binnen een redelijke termijn volledig wordt voldaan.

De spreekwoordelijke welbespraakte en in financiële zin welgestelde Nederlander is niet de voornaamste doelgroep van het CJIB

De praktijk: welke mensen zitten vervangende hechtenis uit
Je hoeft geen ervaringsdeskundige te zijn om te kunnen bedenken dat veel veroordeelde daders kale kippen zijn, armlastig zijn, in detentie verblijven, buitenlander zijn en daarmee ofwel onbereikbaar zijn ofwel de bureaucratische weg niet weten te vinden en dat tal van daders verstandelijke beperkingen hebben. Ook is er weinig fantasie voor nodig dat de verstandelijk beperkte dader of bijvoorbeeld een zwerver, een junk of anderszins een “zwakke broeder” (en daar zijn er heel veel van in het strafrecht) niet de capaciteiten of de mogelijkheden heeft om met het CJIB te corresponderen.

Anders gezegd: de spreekwoordelijke welbespraakte en in financiële zin welgestelde Nederlander is niet de voornaamste doelgroep van het CJIB. Betaling binnen een jaar of binnen drie jaar is veelal onmogelijk. Daarbij moet nog bedacht worden dat tal van door de strafrechter opgelegde schademaatregelen zien op bedragen van duizenden of tienduizenden euro’s en soms zelfs op nog hogere bedragen.

En zo kan het gebeuren – en zo gebeurt het ook in de praktijk - dat mensen een vol jaar in detentie verblijven, alleen omdat ze een schuld niet kunnen betalen. Of omdat ze feitelijk niet de mogelijkheid hebben gehad om een betalingsregeling te treffen. Terzijde zij nog opgemerkt dat veel strafadvocaten zich er wel voor lenen om pogingen te doen om een betalingsregeling met het CJIB te bereiken. Maar lang niet iedereen heeft een advocaat, terwijl de werkzaamheden van een advocaat in deze situatie bovendien niet door de overheid vergoed worden. Eenmaal in detentie is het lastig hulp zoeken, nog daargelaten dat hulp weinig zin heeft want de kans op voortijdige beëindiging van de vervangende hechtenis is vrijwel nihil.

Betalingsonmacht doet er niet toe

In het hiervoor aangehaalde vonnis ging het om een gedetineerde veroordeelde dader. Hij had een betalingsvoorstel gedaan van (uiteindelijk) 50 euro per maand. In de wetenschap dat een gedetineerde voor zijn werkzaamheden in detentie slechts 0,76 euro per uur krijgt, naar het mij voorkomt geen ondermaats voorstel. Het CJIB wees het voorstel echter af, want die regeling zou in dit geval een looptijd hebben van ruim 44 jaar.

De advocaat spande hierover een kort geding aan. Voor de strafpraktijk interessant is dat de civiele rechter in het vonnis overweegt geen enkele boodschap te hebben aan de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde dader. Met andere woorden: betalingsonmacht doet er niet toe.

De civiele rechter: betalingsonmacht is niet relevant, dat vervangende hechtenis de facto overeenkomt met strafoplegging is niet onrechtmatig
De rechtbank Den Haag overweegt in het hiervoor genoemde vonnis dat artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht onder meer inhoudt dat vervangende hechtenis wordt opgelegd voor het geval geen of onvolledige betaling of verhaal plaatsvindt. Hieruit volgt volgens de Rechtbank dat de hechtenis ook ten uitvoer wordt gelegd in situaties waarin de veroordeelde niet aan de maatregel kan voldoen. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat dit door de wetgever onder ogen is gezien (zie o.a. ook HR 20 juni 2000, NJ 2000, 634). Het volgende citaat uit het vonnis van de Rechtbank is veelzeggend:

“Volgens vaste rechtspraak vormt betalingsonmacht dan ook geen deugdelijke grond voor het afzien van de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis, dan wel het toestaan van een betalingsregeling waarbij het volledige schadebedrag niet binnen een redelijke termijn wordt voldaan. Daar komt bij dat de hoogte van de door de strafrechter opgelegde schadevergoedingsmaatregel is gebaseerd op de door het slachtoffer geleden schade, zonder daarbij rekening te houden met de draagkracht van de veroordeelde. Dit betekent dat soms relatief hoge schadevergoedingsmaatregelen worden opgelegd aan veroordeelden met een (zeer) beperkte aflossingscapaciteit, in welke gevallen de dreiging met vervangende hechtenis niet tot snellere betaling leidt. Dat de vervangende hechtenis daarmee in feite neerkomt op een strafoplegging in plaats van een drukmiddel om tot betaling over te gaan, maakt de tenuitvoerlegging evenwel niet onrechtmatig (ECLI:NL:RBSGR:2010: BM2771). De gevorderde leeftijd van [eiser] (73 jaar) kan evenmin aan de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in de weg staan. Aangenomen moet worden dat de strafrechter destijds rekening heeft gehouden met de leeftijd van [eiser] en desondanks de schadevergoedingsmaatregel, inclusief vervangende hechtenis, heeft opgelegd.”

Het is ook merkwaardig te noemen dat bij Mulderzaken (geldboetes bij vooral verkeersovertredingen) betalingsonmacht wél een argument is om detentie (gijzeling) te voorkomen

Vervangende hechtenis: matiging is zeer uitzonderlijk
In de praktijk zie ik zelden dat een rechter iets afdoet aan de hoogte van de vervangende hechtenis. Met heel goed zoeken zijn er wel enkele voorbeelden te vinden, zoals rechtbank Zwolle-Lelystad 15 april 2008, ECLI:NL:RBZLY:2008:BD0467, maar het zijn grote uitzonderingen.

Mijn vaststelling is dat in een aanzienlijk aantal gevallen mensen simpelweg in detentie verblijven omdat ze niet kunnen betalen en/of omdat ze niet de capaciteiten hebben om een betalingsregeling voor elkaar te boksen. Naar mijn mening is de huidige regeling daarmee bepaald unfair te noemen. Het is ook merkwaardig te noemen dat bij Mulderzaken (geldboetes bij vooral verkeersovertredingen) betalingsonmacht wél een argument is om detentie (gijzeling) te voorkomen. Welk valide argument is er nu om in een situatie van betalingsonmacht wel detentie toe te passen als er een slachtoffer in het geding is? Ik vind het onbegrijpelijk. Hoe dan ook, voor strafadvocaten betekent het OM-beleid dat bij de inhoudelijke zitting in dit soort situaties al voorgesorteerd moet worden op een dreigende detentie. Bij pleidooi dienen de portemonnee, de capaciteiten, de persoonlijke omstandigheden en het OM-beleid benadrukt te worden.

Ik vrees dat deze blog wel niet zal leiden tot wijziging van beleid en/of regelgeving

Afsluitend
De regeling van de vervangende hechtenis heeft soms draconische gevolgen. Ik vrees dat deze blog wel niet zal leiden tot wijziging van beleid en/of regelgeving. Nu de praktijk helaas laat zien dat rechters (uit onbekendheid met het incassobeleid?) slechts zeer zelden de vervangende hechtenis matigen, rest de advocatuur niets anders dan veel vaker dan nu gebeurt stevig onderbouwd verweer te voeren op voorkoming van oplegging van vervangende hechtenis dan wel – second best – onderbouwd en wel aan te dringen op matiging van de hoogte van de vervangende hechtenis.