Swipe to the left

Vordering benadeelde partij in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel

Print
Vordering benadeelde partij in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel
By 20 maart 2019 4623 keer bekeken Geen opmerkingen

Als strafrechtadvocaat word je vaak (kort voor de zitting) geconfronteerd met een vordering benadeelde partij. Het is van belang om als strafrechtadvocaat meer te doen dan enkel aan te voeren dat er sprake is van ‘een onevenredige belasting van het strafproces’. Voor zover niets nieuws. Het is daarnaast vaste jurisprudentie dat een benadeelde partij zich niet pas in hoger beroep kan voegen (HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD1865). Bovendien dient een benadeelde partij zich, indien zijn vordering in eerste aanleg niet in zijn geheel is toegewezen, maar gedeeltelijk, wederom te voegen in hoger beroep, dat volgt direct uit artikel 421 Sv.

Voor zover niets nieuws.

19 februari 2019 is echter een interessante conclusie van de A-G (Parket bij de Hoge Raad 19 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:148) verschenen die naar het ons voorkomt van belang is voor de strafrechtspraktijk, in het bijzonder waar het procedures in hoger beroep of cassatie betreft.

Wat was er aan de hand?

In deze zaak heeft de benadeelde partij een schadevergoeding tot een bedrag van € 7.646,89, vermeerderd met de wettelijke rente, gevorderd. De Rechtbank Overijssel heeft bij vonnis van 1 maart 2016 de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 2.460,89.

Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij vervolgens in zijn geheel toegewezen. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen met de overweging ‘dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden’.

Opnieuw voegen in hoger beroep

De A-G merkt op dat: ‘het hof daarmee heeft miskend dat de voeging in hoger beroep slechts van rechtswege voortduurde ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 2.460,89. Het hof heeft de vordering voorts ten onrechte toegewezen tot een hoger bedrag dan door de rechtbank was bepaald. Aangezien de benadeelde partij zich in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd voor het gedeelte van de vordering waarin deze door de rechtbank niet-ontvankelijk was verklaard, is die beslissing in strijd met het bepaalde in art. 421, tweede lid, Sv’.

Een benadeelde partij dient zich aldus, indien zijn vordering in eerste aanleg niet in zijn geheel is toegewezen, maar gedeeltelijk, wederom te voegen in hoger beroep. Daarin wordt de steller van het middel in haar gelijk gesteld en dat is zoals gezegd niet vernieuwend, maar uit deze conclusie blijkt eens temeer het belang het hof hierop te (blijven) wijzen, omdat dit dus in de praktijk nog regelmatig fout gaat.

Daarnaast meent de A-G dat het hof ook de toewijzing van de schadevergoeding inhoudelijk onvoldoende heeft gemotiveerd, nu de verdediging die vordering had betwist. Uit de overwegingen in de conclusie en de verwijzingen naar wet en een eerdere jurisprudentie, blijkt daarbij dat met een algemene betwisting niet kan worden volstaan, wil men de zittingsrechter tot motivering dwingen. Het is dus zaak om bij betwisting van de vordering ook echt de specifiek betwiste onderdelen en vooral wat daar dan aan schort, te benoemen. Nu dat in deze zaak wel was gedaan, kon het hof in ieder geval volgens de A-G niet volstaan met een verwijzing naar de ingediende vordering.

Schadevergoedingsmaatregel

Echter, het feit dat het hof ten onrechte een hogere vergoeding dan in eerste aanleg heeft toegewezen en de toewijzing niet afdoende heeft gemotiveerd, hoeft volgens de A-G niet tot cassatie te leiden. Dit nu het hof ‘aan de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij een schadevergoedingsmaatregel heeft gekoppeld op grond van art. 36f Sr. Het bedrag van deze maatregel is gebaseerd op het bedrag van de toegewezen vordering van de benadeelde partij van €7.646,89’. Opgemerkt wordt vervolgens: ‘zelfs bij een zeer welwillende lezing van het middel en de toelichting daarop kan ik daarin niet lezen dat ook over de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel wordt geklaagd’.

De steller van het middel heeft zich enkel gekeerd tegen de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en niet tegen de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Als de Hoge Raad de beslissing van het hof tot toewijzing vernietigt, laat dat volgens de A-G de verplichting voor de verdachte tot betaling van de voor dezelfde feiten en voor een gelijk bedrag opgelegde verplichting tot betaling aan de staat onverlet. Daarmee is er onvoldoende belang bij de klacht met betrekking tot de toewijzing van de vordering, nu de schadevergoedingsmaatregel blijft staan.

Dus ook al wordt de steller van het middel in haar gelijk gesteld voor wat betreft de onbegrijpelijke motivering om de gehele vordering toe te wijzen, is dit niet voldoende.

Deze materie is ook in een arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2018 (HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:896, NJ 2019/104 m.nt. P.A.M. Mevis) aan de orde geweest. Mevis stelt in zijn redactionele aantekening bij dit arrest dat het bij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr om een zelfstandig onderdeel van het sanctiepakket gaat dat hij kan en moet hanteren om aan de verdachte de juiste sanctie op te leggen. Hij merkt op dat toepassing van 36f Sr onderdeel is van het proces van sanctietoemeting, hetgeen de toewijzing van de vordering benadeelde partij op zichzelf niet is. Dat die oplegging van 36f in de regel geschiedt om een verdachte ook tot daadwerkelijke betaling aan te zetten, maakt dat niet anders, aldus Mevis (ziet met name par. 7).

De vernietiging van een beslissing tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij laat de opgelegde schadevergoedingsmaatregel aldus in stand. Toepassing van artikel 36f Sr is onderdeel van het rechterlijk proces van sanctietoemeting.

Oftewel: naast dat uit deze conclusie eens temeer volgt dat het voor de benadeelde partij wiens vordering in eerste aanleg niet geheel wordt toegewezen, van belang is zich opnieuw te voegen en dat het voor de verdediging van belang is die vordering inhoudelijk en gemotiveerd te betwisten, strekt het tot de aanbeveling ook apart verweer te voeren op het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Dit moet niet uit het oog worden verloren. Anders lijk je – gelet op de heersende lijn in de jurisprudentie – alsnog van een koude kermis thuis te komen, als het hof het verweer niet volgt en in cassatie tegen de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet wordt geklaagd.

Posted in: Strafrecht