Swipe to the left

Vrouwe Justitia is niet langer blind, maar scheel

Print
Vrouwe Justitia is niet langer blind, maar scheel
By 27 juli 2017 7494 keer bekeken Geen opmerkingen

Op 16 juni 2017 kwam er een (voorlopig) einde aan de strijd die mijn kantoorgenoot Juriaan de Vries en ik in een zaak van onze cliënt hebben gevoerd tegen de methode van de dynamische verkeerscontrole. Nadat het Gerechtshof Amsterdam in onze zaak de methode op 21 december 2015 onrechtmatig verklaarde en de Hoge Raad die beslissing op 1 november 2016 weer vernietigde oordeelde het Gerechtshof Den Haag - na verwijzing - dat al onze verweren over de methode in zijn algemeenheid en in de zaak van onze cliënt in het bijzonder, afstuiten op het voornoemde arrest van de Hoge Raad en daarmee was de kous af. Op elegante wijze werd cliënt door het hof nog wel vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde feit, zodat de weg naar een tweede cassatieprocedure direct werd afgesloten.

Papieren muur
Er is al veel gezegd en geschreven over de methode en over de arresten van het Gerechtshof Amsterdam en de Hoge Raad en ik wil dat op deze plek niet nog eens uitgebreid over doen. Wel laat de Hoge Raad in het arrest van 1 november 2016 zien dat zij de feiten achter de ‘papieren muur’ alleen van belang vindt indien deze ten dienste staan aan de beslissing die de Hoge Raad voor ogen heeft en dat is op zich zelf al een treurig stemmende vaststelling.

Kijk bijvoorbeeld naar de invulling die de Hoge Raad in de jurisprudentie geeft aan het vertrouwensbeginsel, waarbij de enkele mededeling van het OM aan de verdachte dat niet langer wordt vervolgd in beginsel onvoldoende is om schending van het vertrouwensbeginsel aan te nemen indien uit de feitelijke gang van zaken de daadwerkelijke (materiële) intenties van het OM voor de verdachte kenbaar hadden moeten zijn of waren. In dat geval kijkt de Hoge Raad wel achter de ‘papieren muur’ van de formele mededeling van niet verdere vervolging en betrekt de feitelijke gang van zaken - en dus de materiële intenties - bij de beoordeling.

Schending van beginsel van zuiverheid van oogmerk
Hoe anders wordt te werk gegaan in het arrest van 1 november 2016 waarbij de Hoge Raad een extreem formalistische benadering hanteert door te stellen dat uit het enkele feit dat door de politieagenten bij aanvang van de methode wordt gevraagd naar het rij- en kentekenbewijs van de bestuurder blijkt dat de controlebevoegdheden niet uitsluitend worden aangewend voor een ander doel dan waarvoor ze in het leven zijn geroepen. Van een schending van het beginsel van zuiverheid van oogmerk is dan volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geen sprake.

Tegelijkertijd negeert de Hoge Raad simpelweg de achterliggende en door het hof vastgestelde feiten waaruit evident de materiële opsporingsintenties van de methode blijken. De betrokken agenten in de zaak van onze cliënt gaven die opsporingsintenties tijdens hun verhoren bij de raadsheer-commissaris ook onverbloemd toe en vulde daarbij zelfs aan dat zij in het geheel niet geïnteresseerd waren in de controle op de naleving van de regels in de Wegenverkeerswet. Neem vervolgens in ogenschouw dat ook uit het inmiddels bekende ‘Blauwe boekje’ blijkt dat het vragen naar het rij- en kentekenbewijs de politieagenten wordt ingeprent teneinde jurisprudentieel gedekt te zijn en de cirkel is rond.

Etnische of religieuze uiterlijke kenmerken
In een cynische poging nog enige rechtsbescherming te bieden in het licht van het discriminatieverbod overweegt de Hoge Raad ten overvloede dat de selectie van voertuigen voor de methode niet in overwegende of uitsluitende mate mag plaats vinden op etnische of religieuze uiterlijke kenmerken van de bestuurder of andere inzittenden van het voertuig. Kortom, indien de selectie in mindere mate dan overwegend of uitsluitend is gebaseerd op etnische of religieuze kenmerken van de bestuurder of de inzittenden van een voertuig is volgens de Hoge Raad geen sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen burgers. Een-beetje-discriminatie mag kennelijk wel van de Hoge Raad want let wel, van enig gepleegd strafbaar feit waarbij de dader op basis van signalementen herkenbaar is aan uiterlijke kenmerken is ten tijde van de selectie helemaal geen sprake. Het feit dat aan de selectie van het voertuig waarin onze cliënt als bestuurder reed had bijgedragen dat de betrokken agenten de combinatie van een Hindoestaans/Surinaamse bestuurder in een ‘dure’ auto in een bepaalde wijk in Amsterdam ‘opvallend’ vonden, was voor de Hoge Raad dan ook geen probleem nu eveneens was vastgesteld dat de auto was gehuurd van een bedrijf waarvan men ambtshalve wist dat deze auto’s verhuurde aan criminelen.

De overwegingen van de Hoge Raad volgend lopen burgers met bepaalde etnische of religieuze uiterlijke kenmerken dus simpelweg meer risico om door de politie geselecteerd te worden voor een dynamische verkeerscontrole en als dat risico zich daadwerkelijk verwezenlijkt dan vindt de Hoge Raad dat in beginsel goed, indien die uiterlijke kenmerken maar niet in overwegende of uitsluitende mate hebben bijgedragen aan die selectie: Vrouwe Justitia is niet langer blind, maar scheel.

Posted in: Strafrecht