Swipe to the left

​Positieve ontwikkelingen voor de strafrechtadvocaat: het wetsvoorstel modernisering Wetboek van Strafvordering

Print
​Positieve ontwikkelingen voor de strafrechtadvocaat: het wetsvoorstel modernisering Wetboek van Strafvordering

De Hoge Raad heeft in strafzaken de laatste jaren verschillende uitspraken gedaan, waar iedere strafrechtadvocaat moedeloos van wordt. Heeft het überhaupt nog zin om verweren te voeren in het kader van artikel 359a Sv (vormfouten)? Heeft het überhaupt nog zin om rechters te wijzen op hun Europeesrechtelijke verplichtingen wat betreft de voorlopige hechtenis?

Maar ineens is daar dan toch een lichtpunt voor de strijders onder ons. Een lichtpunt in de vorm van het wetsvoorstel voor vernieuwing van het Wetboek van Strafvordering. Een wetsvoorstel dat mijns inziens ten onrechte maar weinig (positieve) aandacht heeft gekregen. Een voorstel dat al in 2020 ter goedkeuring wordt aangeboden aan de Tweede Kamer.

Vooruitlopend op dit voorstel zullen bovendien naar verwachting in januari 2021 bij wijze van experiment alvast een aantal wijzigingen worden doorgevoerd. Dit voorstel tot spoedige wijzigingen is op 19 juli jl. gepubliceerd onder de naam Innovatiewet Strafvordering.

Hieronder bespreek ik de voor strafrechtadvocaten meest in het oog springende wijzigingen die we komende jaren kunnen verwachten op gebied van de inzet van bevoegdheden en dwangmiddelen, straks genaamd: Boek 2 Het opsporingsonderzoek.

Alle opsporingsbevoegdheden van politie en justitie gaan op de schop

Allereerst wordt de onoverzichtelijke brei aan bevoegdheden en dwangmiddelen helemaal geordend, fatsoenlijk genummerd en komen alle bevoegdheden duidelijk en eenmaal geheel onder elkaar uitgeschreven op een rij te staan.
Met als resultaat een stuk minder wetsartikelen dan nu. Op dit moment staan de bevoegdheden op allerlei plekken in het wetboek en onder steeds weer andere, soms niet te volgen, terminologie en nummering.

Hoewel tegelijkertijd het verdenkingscriterium wat wordt vereenvoudigd, wordt voor ons als advocaten op deze manier veel inzichtelijker wat de politie en het OM wel en vooral niet mogen doen.

Dit bevordert mijns inziens ook dat we als advocaten sneller verweer kunnen en zullen voeren en een rechter ook makkelijker kan beoordelen of een verweer terecht is of niet.

Rechter dient ‘vormfouten’ weer actief te sanctioneren

Dat die rechter weer een actievere rol gaat krijgen bij het beoordelen van de inzet van opsporingsbevoegdheden en de inzet van dwangmiddelen blijkt uit het feit dat in de algemene bepalingen van dit hoofdstuk (hoofdstuk 1) nog eens wordt benadrukt dat de inzet van opsporingsbevoegdheden ten alle tijden moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Uit de Memorie blijkt ook, dat hoewel artikel 359a Sv niet echt op de schop gaat, de wetgever de rechter wel wil stimuleren de inzet van opsporingsbevoegdheden weer opnieuw actief te toetsen en daar waar nodig te sanctioneren. Een taak van de rechter die door de Hoge Raad de laatste jaren steeds verder is uitgehold door het steeds weer vernietigen van beslissingen van rechtbanken waarin de onjuiste inzet van bevoegdheden wordt gesanctioneerd.

Wat ik ook toejuich is dat er meer en duidelijkere regels komen omtrent de verbaliseringsplicht en de vereisten die aan een proces-verbaal worden gesteld. Ditzelfde geldt voor de aangifte en klacht (hoofdstuk 2).

Pressieverbod politie nog eens duidelijk benadrukt

In hoofdstuk 3 wordt nu expliciet vastgelegd, dat opsporingsambtenaren geen ontoelaatbare druk mogen uitoefenen tijdens verhoren. Hoewel we reeds thans verweren aangaande het pressieverbod kunnen voeren, is de expliciete vastlegging van dit verbod in een eigen hoofdstuk in Boek 2 dat ziet op de bevoegdheden van de politie tijdens verhoor iets dat mijns inziens een rechter nog meer stimuleert hier kritisch naar te kijken, zeker als daar verweer op wordt gevoerd.

Zeker aangezien, even een zijsprongetje, onder de nieuwe wet beeldmateriaal met name beeldmateriaal van de verhoren van verdachten en getuigen ook daadwerkelijk een bewijsmiddel wordt. Thans is enkel nog het proces-verbaal van waarneming van hetgeen op die beelden is te zien of horen formeel een bewijsmiddel.

Dit is mijns inziens zo ontzettend belangrijk, omdat de kracht van pressie en de schade die dit aan een onderzoek oplevert vaak wordt onderschat. Nu beeldmateriaal van verhoren ook daadwerkelijk een bewijsmiddel wordt, dienen rechters mijns inziens ook actiever en op eigen initiatief naar dit beeldmateriaal te kijken en kunnen zij niet (steeds) volstaan met het lezen van een proces-verbaal.

Ook is dit belangrijk, omdat de rechter-commissaris onder de nieuwe wet ook getuigenverhoren formeel kan gaan delegeren aan politieambtenaren, waarbij het verhoor niet – zoals nu – vrijblijvend is, maar getuigen verplicht zijn te komen.

Hoofdstuk 4 ziet op het deskundigenonderzoek en de voorlichtingsrapportage in opdracht van de Officier van Justitie.

Voorlopige hechtenis mag alleen worden opgelegd als geen alternatieven voorhanden zijn

Meest in het oog springende verandering is echter de toepassing van de voorlopige hechtenis. Deze gaat geheel op de schop.
In hoofdstuk 5 van Boek 2 staan namelijk de bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming benoemd.

Dit worden de nieuwe namen van de bevelen die kunnen worden afgegeven.

Bevel (verlenging) voorlopige hechtenis en schorsing van de voorlopige hechtenis zijn begrippen die alsdan niet meer zullen bestaan.

Je krijgt als verdachte of vrijheidsbeperkende maatregelen opgelegd voor bepaalde tijd of vrijheidsbeneming.
Oftewel of je blijft vrij, maar als nodig onder vrijheidsbeperkende maatregelen zoals bijvoorbeeld een locatieverbod of – gebod, contactverbod, meldplicht, zekerheidstelling (borg) of elektronisch toezicht.

Of er komt een bevel (verlenging) vrijheidsbeneming (de huidige voorlopige hechtenis).

Vrijheidsbeneming mag niet worden toegepast als met vrijheidsbeperkende maatregelen kan worden bewerkstelligd dat:

  • het onderzoek niet wordt belemmerd;
  • slachtoffers worden beschermd;
  • de maatschappelijke veiligheid kan worden gewaarborgd.


Als vrijheidsbeneming wordt opgelegd, dient steeds weer periodiek te worden gekeken of alsnog vrijheidsbeperking mogelijk is.

Dit betekent dus eindelijk een actieve rol voor de rechter om te onderzoeken of vrijheidsbeperking mogelijk is.

Enerzijds door, meer nog dan nu, Reclassering opdracht te geven te onderzoeken of dit mogelijk is.
En anderzijds door hier dus ook voor en op zitting concreet onderzoek naar te doen.

Wat hier zo goed aan is, is dat de wetgever blijkens de Memorie van Toelichting eindelijk erkent dat de manier waarop rechters nu omgaan met de voorlopige hechtenis niet goed is.
Die steeds weer tenenkrommende standaard motivering dat het persoonlijke belang bij schorsing niet opweegt tegen het maatschappelijk belang bij voorlopige hechtenis, om schorsingsverzoeken af te wijzen is verleden tijd.

Immers hanteert de rechter hiermee steeds weer een onjuist criterium voor toepassing/voortduring van de hechtenis.
Daar waar hechtenis, oftewel vrijheidsbeneming een ultimum remedium hoort te zijn, gezien Europees recht en Europese jurisprudentie, laat de rechter iemand nu dus vast zitten zolang deze niet zelf kan aantonen dat er iets dusdanig ernstigs gaande is in zijn persoonlijke omstandigheden dat dit het belang bij hechtenis zou overstijgen.

In de toekomst, bestaat schorsing gewoonweg niet meer. Een verdachte dient vrij te blijven, mits met andere maatregelen, te weten vrijheidsbeperkende maatregelen, kan worden bewerkstelligd dat het onderzoek ongestoord kan voortgaan, slachtoffers geen last hebben van een verdachte en de maatschappij geen gevaar loopt.

Hiermee komt de voorlopige hechtenis weer in lijn met een heel belangrijk beginsel in ons rechtssysteem: de onschuldpresumptie.

Ook komt hiermee wat mij betreft direct een eind aan die frustrerende bezoeken van mijzelf en mijn cliënten aan met name het Gerechtshof Den Haag en het Gerechtshof Amsterdam. Hoven die er een sport van lijken te maken zittingen zo kort mogelijk te laten duren en cliënten en advocaten zo min mogelijk gelegenheid te geven ook maar iets te zeggen over de vrijheid van een cliënt.

Het gemak waarmee op pro forma zittingen hechtenissen door rechtbanken en gerechtshoven worden verlengd is op dit moment gewoonweg schrijnend en in strijd met de mensenrechten.

Overigens staat in dit nieuwe hoofdstuk ook benoemd dat pro forma zittingen moeten worden teruggedrongen.

Wet BOB wordt hoofdstuk 8 Heimelijke opsporing

Ook komt met het nieuwe hoofdstuk 8 een einde aan de onoverzichtelijke, onduidelijke Wet Bob.
De nu nog dwangmiddelen geheten, maar in de toekomst heimelijke opsporingsbevoegdheden, komen duidelijk op een rij te staan, waardoor ook voor ons als advocaat direct inzichtelijk is wat wel, en vooral niet mag.

Ook worden hier een drietal nieuwe bevoegdheden aan toegevoegd, die mijns inziens niet perse heel baanbrekend zijn:

  • stelselmatig open bronnen onderzoek;
  • stelselmatige locatie bepaling (stealth sms);
  • maatregelen in het belang van de veiligheid van opsporingsambtenaren.


Met die laatste bevoegdheid wordt beoogd om bijvoorbeeld undercovers (WOD-ers) meer mogelijkheden te geven zichzelf in veiligheid te brengen bij de uitvoering van hun taak.

Overige veranderingen wat betreft de opsporingsbevoegdheden

Tot slot valt nog op dat alle bevoegdheden aangaande het lichaam een eigen hoofdstuk krijgen (hoofdstuk 6).
Alle bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens ook (hoofdstuk 7). Aan dit laatstgenoemde hoofdstuk valt op, dat deze veel meer in lijn met de huidige ontwikkelingen en technologie is, zoals bijvoorbeeld de opkomst van smartphones. Hoofdstuk 9 geeft de politie en het OM meer bevoegdheid om verkennend onderzoek te verrichten, dus ook als er geen concrete verdenking is. Dit is om proactief strafbare feiten bijvoorbeeld op internationaal niveau te kunnen traceren. Op dit moment valt dit nog onder artikel 3 Politiewet. En hoofdstuk 10 biedt nog eens heldere wetsartikelen wat betreft de bevoegdheden van de rechter-commissaris.

Overige opvallende wijzigingen wat betreft het wetboek van strafvordering

Verder valt op, dat de wetgever de rechter in het Boek Berechting een extra criterium geeft om tot een bewezenverklaring te komen en dat criterium is dat buiten redelijke twijfel moet vast komen te staan dat een verdachte de dader is.

Hoewel dit criterium lijkt op het huidige criterium dat de rechter naast wettige bewijsmiddelen ook de overtuiging moet hebben dat een verdachte de dader is, zie ik het als een vastlegging van een tendens die reeds gaande is. En dat is de tendens dat rechters, iets dat ik persoonlijk erg positief vind, steeds meer in scenario’s een zaak beoordelen. Oftewel enerzijds het scenario dat een verdachte schuldig is aan het tenlastegelegde en anderzijds het scenario dat hij onschuldig is.

Mijns inziens stimuleert dit extra criterium de rechter om op scenario niveau ook echt te kijken of de bewijsmiddelen niet alleen bij het scenario zoals tenlastegelegd aansluiten, maar ook bij het scenario van de verdachte. Als dat laatste het geval is, staat immers niet buiten twijfel vast dat een verdachte schuldig is.

Innovatiewet Strafvordering gepubliceerd op 19 juli jl.

Tot slot nog enkele woorden over de onlangs gepubliceerde Innovatiewet Strafvordering.
De wetgever heeft de bedoeling om begin 2021 alvast wat wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering, bij wijze van experiment, in te voeren. Ik benoem er hier slechts een drietal.
Allereerst krijgt de Hoge Raad ook in strafzaken de mogelijkheid om prejudiciële vragen te stellen. Beeldmateriaal wordt al per 2021 een officieel bewijsmiddel. En tot slot kan de vordering benadeelde partij afzonderlijk worden behandeld.

Kortom, een aantal positieve ontwikkelingen die het Wetboek van Strafvordering duidelijker en overzichtelijker maken, toegepast op deze tijd en waarmee de behartiging van belangen van de maatschappij enerzijds maar zeker ook die van burgers / verdachten anderzijds weer meer in balans komt.

Mr. Marielle van Essen
Van Essen Advocaten


Posted in: Strafrecht