In 2006 gedane investering leidt in 2004 tot vrijval herinvesteringsreserve uit 2000


Wet VPB 1969

Rechtbank Breda heeft geoordeeld dat een in 2006 gedane investering in de onderhavige zaak niet kan voorkomen dat een in 2000 gevormde herinvesteringsreserve (HIR) vrijvalt in het jaar 2004 (Rechtbank Breda, 3 maart 2008, nr. 7/1111). Belanghebbende heeft in 2000 een HIR gevormd die in 2004 ten dele is aangewend. In geschil is of het deel van de HIR dat ultimo 2004 nog niet was aangewend, tot de winst van het jaar 2004 moet worden gerekend. In beginsel dient de HIR uiterlijk in het derde jaar na het jaar waarin deze is ontstaan in de winst te worden opgenomen. Dat hoeft echter niet voorzover in verband met de aard van het bedrijfsmiddel een langer tijdvak is vereist, of voorzover de aanschaffing of voortbrenging door bijzondere omstandigheden is vertraagd. Belanghebbende heeft tussen 2000 en 2006 diverse investeringspogingen gedaan die om verschillende redenen zijn mislukt. In 2006 gaat hij tot daadwerkelijke investering over. De rechtbank oordeelt dat de aard van de investering in het bedrijfsmiddel in casu niet tot een verlenging van de termijn leidt, omdat uit de eerdere onderhandelingstrajecten van belanghebbende blijkt dat voor een dergelijke investering niet meer dan circa twee jaar nodig is. Tevens acht het hof aannemelijk dat belanghebbende pas in 2005 een aanvang heeft gemaakt met de uiteindelijke investering en niet reeds in 2000. Er zijn geen gronden aanwezig voor verlenging van de termijn. Het nog niet benutte deel van de HIR dient in 2004 aan de winst te worden toegevoegd.

Verder lezen
Terug naar overzicht