6. Bestuurlijke boete – algemene bepalingen, 6.5. Una via(Werkloosheid)

Deze paragraaf is bijgewerkt tot 5 juli 2017

In art. 5:44, lid 1, Awb is bepaald dat een bestuurorgaan geen bestuurlijke boete kan opleggen tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging, indien een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen of indien het recht tot strafvordering is vervallen als gevolg van een strafbeschikking. Dit zogeheten ‘una-viabeginsel’ heeft tot gevolg dat, als de keuze voor strafrechtelijke vervolging eenmaal is gemaakt, niet alsnog de weg van bestuurlijke bestraffing kan worden gekozen.

In alle socialezekerheidswetten waarin boetebepalingen zijn opgenomen, was ook een una-viabepaling opgenomen. Deze bepalingen zijn met de invoering van de Vierde tranche Awb komen te vervallen.

Het door de officier van justitie seponeren van een strafzaak staat niet in de weg aan het alsnog opleggen van een bestuurlijke boete (CRvB 28 juli 2006, nr. 04/1721 ANW, USZ 2006/280, ECLI:NL:CRVB:2006:AY5570). Een voorwaardelijk sepot heeft echter wel tot gevolg dat geen bestuurlijke boete meer kan worden opgelegd. Bij een voorwaardelijk sepot heeft een strafrechtelijke interventie plaatsgevonden en is vergelijkbaar met transactie als bedoeld in art. 5:44 Awb (CRvB 8 juli 2009, nr. 07/5785 ANW, USZ 2009/258, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3991). Zie voor een ander voorbeeld waarin de Centrale Raad van Beroep het una-viabeginsel toepast CRvB 5 januari 2011, nr. 10/2671 WAO + 10/2722 TW, USZ 2011/79, ECLI:NL:CRVB:2011:BO9981).

In de situatie waarin…

Verder lezen
Terug naar overzicht