Naar de inhoud

Afgezonderd Particulier Vermogen en Nederlandse (familie)stichtingen

1. Inleiding

Met ingang van 1 januari 2010 is met art. 2.14a Wet IB 2001 het fenomeen Afgezonderd Particulier Vermogen (hierna: APV) in de fiscale wetgeving geïntroduceerd. Wanneer een rechtspersoon of een rechtsverhouding onder deze kwalificatie valt, zijn daaraan diverse fiscale gevolgen verbonden.2 De wetgever heeft beoogd met deze regelingen een einde te maken aan de mogelijkheden om vermogen onder te brengen in (buitenlandse) entiteiten op een zodanige wijze dat het vermogen en het inkomen daaruit niet betrokken kan worden in de Nederlandse belastingheffing. De wetgeving heeft met name het oog op constructiebestrijding via allerlei buitenlandse entiteiten zoals de Anglo-Amerikaanse trust, de Antilliaanse Stichting Particulier Fonds en de Liechtensteinse Stiftung. Het belasten van afgezonderd particulier vermogen moet aan extra belastingheffing jaarlijks circa € 2103miljoen opleveren. Met deze opbrengst is een deel van de overige wijzigingen, die zijn ingevoerd per 1 januari 2010 van de Successiewet 1956, gefinancierd.

De staatssecretaris acht weliswaar de instelling van een APV geoorloofd voor bundeling en bescherming van (familie)vermogen, maar wenst een einde te maken aan het heffingsvacuüm dat ontstaat omdat het afgezonderde vermogen zweeft.4Dat betekent dat het geen deel meer uitmaakt van het vermogen van de inbrenger en nog geen deel uitmaakt van het vermogen van de begunstigde.5

Aan de gevolgen van deze wetswijziging voor Nederlandse stichtingen is in de parlementaire behandeling weinig aandacht besteed. Op de vraag of bij een Stichting Studiefonds ten behoeve van behoeftige nazaten uit een bepaalde familie sprake was van een APV heeft de staatssecretaris een bevestigend antwoord gegeven.6

‘Er wordt namelijk een meer dan bijkomstig particulier belang…