Aftrek buitengewone lasten ter zake van levensonderhoud


Samenvatting

In deze zaak is in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek buitengewone lasten in verband met levensonderhoud van zijn zoon en van familie in Polen. Met betrekking tot het levensonderhoud van de zoon heeft de inspecteur voor het eerste en tweede kwartaal van 1999 een aftrek verleend van f 1.350, ervan uitgaande dat de kosten van het levensonderhoud van de zoon grotendeels op belanghebbende drukten. Voor een hogere aftrek is geen plaats nu belanghebbende volgens het hof niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten van het levensonderhoud geheel of nagenoeg geheel op belanghebbende drukten. Met betrekking tot het derde en vierde kwartaal heeft de inspecteur volgens het hof terecht geen aftrek verleend, nu de kosten van het levensonderhoud konden worden bestreden uit eigen inkomen en eigen vermogen van de zoon die per 26 juni 1999 in dienstbetrekking is gaan werken. Met betrekking tot het levensonderhoud, van de familie van belanghebbende in Polen, overweegt het hof dat voor een aftrek geen plaats is nu belanghebbende in het geheel geen schriftelijke bescheiden, zoals de wet vereist, heeft overgelegd.

(Beroep ongegrond.)

Verder lezen
Terug naar overzicht