Afzonderlijke beboeting van de adviseur (2009.48.3003)


Op 1 juli 2009 is vierde tranche van de Awb in werking getreden. Nieuw is dat adviseurs (belastingadviseur, notarissen etc.) ook geconfronteerd kunnen worden met fiscale boeten die op grond van art. 67a-67f AWR aan hun cliënt kunnen worden opgelegd. Onder het oude regime was dit niet mogelijk. Thans is in de Awb expliciet bepaald dat naast de belastingplichtige ook aan ‘medeplegers’ een verzuim of vergrijpboete kan worden opgelegd (art. 5:1 lid 2 Awb). Voor het begrip medepleger moet te rade worden gegaan bij het strafrecht. Uitgangspunt is dat voor medeplegen vereist is een bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering. Bewuste samenwerking houdt in dat de betrokkenen opzettelijk (willens en wetens) samenwerken. Expliciete afspraken zijn daartoe overigens niet nodig, de bewuste samenwerking kan ook stilzwijgend tot stand komen. De opzet moet gericht zijn op de samenwerking én de gedraging die het beboetbare feit oplevert. In de praktijk kunnen ‘medeplegers’ bijvoorbeeld zijn: de feitelijk leidinggevende van de belastingplichtige, de feitelijke persoon die de aangifte heeft gedaan, of een adviseur van de belastingplichtige. Het is niet nodig dat de medepleger alle bestanddelen van het beboetbare feit zelf vervult. De verschillende bestanddelen van het desbetreffende feit kunnen over de deelnemers worden verdeeld. Zo kan sprake zijn van medeplegen in het geval dat de één het feit organiseert en de ander het feit vervolgens uitvoert. Een fysiek aandeel in de uitvoering van het feit is voor medeplegen dus niet altijd nodig. Bij een voldoende nauwe samenwerking kunnen ondersteunende handelingen al voldoende zijn om te komen tot medeplegen. De auteurs wijzen erop dat de grens met medeplichtigheid soms moeilijk te trekken zal zijn. Het praktische belang hiervan is groot. Immers, de medepleger kan een fiscale boete krijgen, terwijl dit niet geldt voor iemand die slechts als medeplichtige kan worden aangemerkt. 
In beginsel kan zowel een vergrijp- als verzuimboete worden opgelegd aan de medepleger. Echter, de verwachting is dat in de praktijk nauwelijks verzuimboeten zullen worden opgelegd aan een medepleger. Immers, hierbij gaat het doorgaans om kleine overtredingen waarvan doorgaans moeilijk aangetoond kan worden dat sprake is van ‘medeplegen’. Bij het opleggen van een vergrijpboete is vereist dat sprake is van opzet of grove schuld. De auteurs vragen zich hierbij af of het mogelijk is dat sprake is van medeplegen door een adviseur als de belastingplichtige of inhoudingsplichtige zelf geen opzet/grove schuld heeft gehad. Zij vinden het verder opmerkelijk dat een adviseur voor het medeplegen van een fiscaal vergrijp in beginsel dezelfde boete opgelegd krijgt als zijn cliënt. Dit lijkt onredelijk. Immers, de adviseur zal persoonlijk niet of in veel beperktere mate profiteren van de normschending. Overigens zal in de praktijk de strafmaat (boete) bij de medepleger (c.q. de feitelijk leidinggevende en opdrachtgever ) wél in verhouding moeten staan tot de ernst van het vergrijp. De inspecteur zal dus eventuele andere strafverminderende omstandigheden in aanmerking moeten nemen. De auteurs betwijfelen of dit in de praktijk ook zal gebeuren. Zij vermoeden dat de inspecteur in de praktijk veelal de percentages van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB 2008) zal volgen. Overigens bepaalt het BBBB 2008 wel dat de boete aan een medepleger (c.q. feitelijke leidinggevende of opdrachtgever) slechts kan worden opgelegd met toestemming van de voorzitter van het managementteam van de betreffende regio (team particulieren en Formeel recht). De auteurs zouden het zuiverder vinden indien voor de beboeting van de medepleger (c.q. feitelijk leidinggever en opdrachtgever) afzonderlijke voorschriften in het BBBB zouden worden opgenomen. Immers, alleen op die manier kan rekening worden gehouden met de bijzondere positie van de medepleger. 

F.J.P.M. Haas en D.N.N. Jansen, FTV 2009/38 (JB)
Verder lezen
Terug naar overzicht