Anticiperen op gevolgen kredietcrisis bij opleggen voorlopige aanslag niet vereist


Samenvatting

Belanghebbende heeft bezwaar aangetekend tegen een voorlopige aanslag IB/PVV 2009 en heeft in het bezwaarschrift om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand verzocht. Voor de rechtbank is in geschil of hier recht op bestaat en meer in het bijzonder of sprake is van een onrechtmatigheid in de zin van art. 7:15, lid 2, Awb. De rechtbank stelt voorop dat bij deze beoordeling niet voorbij kan worden gegaan aan het voorlopige karakter van een voorlopige aanslag, alsmede aan het massale karakter van het proces van de voorlopige aanslagregeling. Aan de inspecteur komt een zekere marge toe bij het vaststellen van de voorlopige aanslag. Wel dienen daarbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te worden genomen en zal de vaststelling van de hoogte van de belastingschuld in redelijkheid dienen te geschieden. De inspecteur heeft de voorlopige aanslag vastgesteld aan de hand van de bij de Belastingdienst laatst beschikbare gegevens. Naar het oordeel van de rechtbank kon en hoefde de inspecteur redelijkerwijs niet op de hoogte te zijn van de gevolgen die de daling van de beurskoersen in het najaar van 2008 (kennelijk) heeft gehad voor de waarde van de effectenportefeuille van belanghebbende.

(Beroep ongegrond.)

Commentaar

Sinds 12 maart 2002 is de forfaitaire kostenvergoeding voor kosten in de bezwaarfase gebaseerd op art. 7:15 Awb. Daarvoor gold de rechtspraak van de civiele kamer voor de kostenvergoeding van deze kosten. Op grond van onder meer de arresten Boeder/de Staat (HR 20 februari 1998, NJ 1998, 526) en Groninger/Raatgever (HR 17 december 1999, NJ 2000, 87) stond…

Verder lezen
Terug naar overzicht