Naar de inhoud

Antwoorden op vragen Tweede Kamer over de Wet DBA

Samenvatting

Staatssecretaris Wiebes van Financiën heeft vragen beantwoord over de Tweede Voortgangsrapportage DBA van 18 november 2016. De Tweede Kamer heeft die vragen gesteld in verband met het debat op 8 december met de staatssecretaris en de minister van SZW over de Wet DBA.

Inhoud van de brief

Voor grote groepen zzp’ers geldt dat zonder meer duidelijk is dat er geen sprake is van een dienstbetrekking, ook al worden er uiteraard afspraken gemaakt over het werk en worden er aanwijzingen gegeven. Voor hen speelde de VAR niet en Wet DBA dus ook niet. Een deel van de mensen die voorheen, soms onder de vrijwarende werking van een VAR, buiten dienstbetrekking konden werken, doet dat nu niet meer. Dat kan een gevolg zijn van het feit dat het voorheen eigenlijk ook al een dienstbetrekking was, maar dat de vrijwarende werking van de VAR ervoor zorgde dat daaraan geen consequenties werden verbonden. Waar dat het geval is heeft de Wet DBA zijn werk gedaan. In die zin vindt de staatssecretaris de conclusie terecht dat de Wet DBA eraan heeft bijgedragen dat eerdere schijnconstructies aan het licht zijn gekomen. De inschatting is dat 2%-14% van de zzp’ers schijnzelfstandige was. De overgrote meerderheid van de zzp’ers kan en is net als voorheen gewoon als zelfstandige aan het werk, in veel gevallen ook zonder modelovereenkomst. Voor de opdrachtgevers waarvoor onzekerheid aanleiding was om bijvoorbeeld geen zzp’ers in te huren, zou de verlengde implementatietermijn waarin geen handhaving plaatsvindt tenzij sprake is van kwaadwillenden, ertoe moeten leiden dat zij weer wel zzp’ers gaan inhuren. De staatssecretaris gaat ervan uit dat…