Arbitragecommissie KNVB 11-08-2003, JAR 2003, 227


Bepaalde tijd. Ontbindende voorwaarde.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 227.

De werknemer is op 1 juli 2001 als voetballer bij de werkgever in dienst getreden voor de periode van 1 juli 2001 tot 30 juni 2004. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de werkgever en de werknemer zijn overeengekomen dat de overeenkomst geacht wordt te zijn ontbonden indien de werkgever voor het tweede achtereenvolgende jaar in de Totodivisie zal uitkomen. De werkgever is in het seizoen 2001-2002 uit de eredivisie gedegradeerd en in het seizoen daarop niet gepromoveerd, zodat hij in het seizoen 2003-2004 opnieuw, voor het tweede achtereenvolgende jaar in de eerste divisie (voorheen Totodivisie) zal uitkomen. De werkgever stelt dat de arbeidsovereenkomst hierdoor geëindigd is. De werknemer betwist de geldigheid van de ontbindende voorwaarde. De arbitragecommissie stelt vast dat de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat een ontbindende voorwaarde niet per definitie ongeldig is, maar dat moet worden bezien in hoeverre deze verenigbaar is met het gesloten stelsel van ontslagrecht. Verder leidt de arbitragecommissie uit de rechtspraak van de Hoge Raad en uit de literatuur af dat absolute voorwaarden voor het aannemen van de rechtsgeldigheid van een ontbindende voorwaarde zijn dat het intreden van de benoemde gebeurtenis objectief bepaalbaar is én niet van de wil of de subjectieve waardering van één der partijen afhankelijk. De arbitragecommissie meent dat het niet promoveren van de werkgever aan het einde van het seizoen 2002-2003 een objectief bepaalbare gebeurtenis is. De arbitragecommissie oordeelt echter dat in het midden kan blijven of deze gebeurtenis al dan niet rechtstreeks afhankelijk van de wil van partijen is ingetreden omdat ook de verhouding tussen de ontbindende voorwaarde en het gesloten ontslagstelsel moet worden beoordeeld. Een ontbindende voorwaarde is volgens de commissie redelijkerwijs met het gesloten ontslagstelsel te verenigen ingeval aan de arbeidsprestatie geen inhoud meer gegeven kan worden en derhalve bij inhoudelijke toetsing door derden, zoals de rechter of de CWI, de beëindiging van de arbeidsovereenkomst redelijkerwijs als een gegeven moet worden beschouwd. Indien de onafhankelijke derde een reële beoordelingsmarge zou hebben (gehad) om de arbeidsovereenkomst wel of niet te beëindigen, is de ontbindende voorwaarde nietig. In onderhavig geval kan door de werknemer nog inhoud worden gegeven aan de arbeidsovereenkomst, terwijl niet is gesteld of gebleken dat juist deze arbeidsovereenkomst onder de gegeven omstandigheden tussentijds behoort te eindigen. De onafhankelijke derde zou dus een beoordelingsmarge hebben gehad. De ontbindende voorwaarde is daarom niet geldig.

Terug naar overzicht