Arbitragecommissie KNVB 26-01-2001, Prg. 2001, 5629


Vakantiebijslag. CAO (Betaald Voetbal). Wijziging arbeidsvoorwaarden. Wettelijke verhoging.

Drie contractspelers in het betaald voetbal vorderen een verklaring voor recht dat hun vakantierechten, zoals opgenomen in de individuele arbeidsovereenkomst (8% over het jaarlijks genoten salaris en wedstrijdpremies), na invoering van de CAO niet zijn aangetast. Op grond van de individuele arbeidsovereenkomst, waarin staat dat zodra een CAO tot stand komt partijen zich daaraan dienen te conformeren, heeft de werkgever het vakantiegeld van 8% over het maximum van drie keer het minimumloon uitbetaald. Deze bepaling in de arbeidsovereenkomst kan volgens de werkgever worden beschouwd als een eenzijdig wijzigingsbeding. De arbitragecommissie is van oordeel dat gezien de bepalingen in de individuele arbeidsovereenkomst inzake het conformeren aan de CAO ook geldt de CAO-bepaling dat ingeval er arbeidsvoorwaarden overeen zijn gekomen die in gunstige zin afwijken van de CAO, deze arbeidsvoorwaarden onverminderd van kracht blijven. Dit is slechts anders indien in de individuele arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk is overeengekomen dat een specifieke regeling in de CAO in de plaats komt van hetgeen partijen hebben vastgesteld. Dit is bijvoorbeeld zo met betrekking tot de bepalingen inzake arbeidsonge- schiktheid. Een dergelijke uitzondering is echter ten aanzien van de vakantietoeslag niet gemaakt. Bovendien hebben partijen het recht ten gunste van de werknemer van de CAO afwijkende bepalingen overeen te komen. Er is geen sprake van een eenzijdig wijzigingsbeding. De arbitragecommissie wijst de vordering toe, echter zonder wettelijke verhoging omdat het vakantiegeld tot het wettelijk minimum reeds is betaald

Terug naar overzicht