Art. - De voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst na een ontslag op staande voet


Het is gangbare praktijk om na een ontslag op staande voet een voorwaardelijke ontbindingsprocedure te starten. Hoewel de Hoge Raad deze ontbindingsmodaliteit reeds aan het begin van de jaren tachtig heeft geaccordeerd, blijft het een omstreden fenomeen.1 Zo bestaat zowel in de jurisprudentie als in de literatuur reeds lange tijd verdeeldheid ten aanzien van de vraag vanaf wanneer de in het kader van een voorwaardelijke ontbinding toegekende vergoeding kan worden geëxecuteerd.2 Eensgezindheid bestaat evenmin ten aanzien van de vraag hoe de kantonrechter in het kader van een voorwaardelijke ontbindingsprocedure dient om te gaan met een onvoorwaardelijk tegenverzoek. Omdat het de ontslagprocedure compliceert en minder transparant maakt, werd in 2005 zelfs gepleit voor afschaffing van het fenomeen van de voorwaardelijke ontbinding.3 Reden genoeg dus om in deze bijdrage (nogmaals) aandacht te besteden aan het karakter van de voorwaardelijke ontbinding. Van daaruit zal worden geprobeerd om heldere en voor de praktijk werkbare antwoorden te formuleren op de zojuist gesignaleerde vragen, in een poging deze ‘worsteling’4 tot een einde te brengen. 


Open PDF

Verder lezen
Terug naar overzicht