Naar de inhoud

Art. - Een bloemlezing van de recente jurisprudentie over art. 2:138/248 BW

Het is en blijft een onderwerp in beweging; bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement op de voet van art. 2:138/248 BW.1 Afgelopen periode (januari 2015 tot medio 2017) zijn er 39 uitspraken gepubliceerd op grond van art. 2:138/248 BW. Belangrijke overwegingen passeren in dit artikel de revue en wij gaan aan de hand van genoemde uitspraken in op (i) de bewijsvermoedens uit lid 2 en de mogelijke escapes in dat kader; (ii) het ‘uitlooprisico’ dat een vertrekkende bestuurder loopt in het licht van de betekenis van de bewoording van lid 6 ‘onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaand aan het faillissement’ en (iii) de toepasselijkheid van art. 2:11 BW bij het doorschakelen van aansprakelijkheid naar de indirecte feitelijk bestuurder (K./Le Roux).2

Art. 2:138/248 BW (heel) in het kort

Art. 2:138/248 BW werd dertig jaar geleden, op 1 januari 1987, ingevoerd als onderdeel van de zogenoemde derde misbruikwet of Wet Bestuurdersaansprakelijkheid in geval van Faillissement.3 Art. 2:138 BW regelt de aansprakelijkheid van de bestuurder van de gefailleerde naamloze vennootschap voor de gevallen waarin de bestuurder zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. Art. 2:248 BW geeft eenzelfde regeling voor de besloten vennootschap. De wet legt een hoofdelijke aansprakelijkheid op de bestuurders voor het faillissementstekort, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement (lid 1).

Lid 2 van art. 2:138/248…