Art. - Van periodieke planherziening en manieren om dat af te dwingen…


In deze bijdrage wordt de plicht om iedere tien jaar het bestemmingsplan te herzien besproken. Vaak wordt niet (tijdig) aan deze verplichting voldaan. Het is vervolgens de vraag welke middelen een belanghebbende ten dienste staat om naleving van deze verplichting af te dwingen. De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State heeft op 8 februari 20171 uitspraak gedaan in een kwestie waarin de betrokkene het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorschoten verzocht om handhavend op te treden tegen de gemeenteraad van diezelfde gemeente wegens het niet tijdig actualiseren van het bestemmingsplan.

Actualiseringsplicht

Uit artikel 3.1 lid 2 Wet ruimtelijke ordening (Wro) volgt de verplichting van de gemeenteraad om de bestemming van gronden binnen een periode van tien jaar na de vaststelling van het bestemmingsplan opnieuw vast te stellen. Met deze dwingendrechtelijke bepaling is uiteraard beoogd om de actualiteit van bestemmingsplannen te waarborgen. Daarnaast heeft deze bepaling tot gevolg dat het in beginsel niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt geacht om in een bestemmingsplan bestemmingen op te nemen die niet binnen de planperiode van tien jaar verwezenlijkt zullen worden.

De raad heeft overigens de mogelijkheid om – mits de raad van oordeel is dat de in het bestemmingsplan aangewezen bestemmingen en de met het oog daarop gegeven regels nog steeds in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening – de termijn van tien jaar te verlengen met nog eens tien jaar. Dat besluit moet uiteraard genomen worden binnen de eerste periode van tien jaar na vaststelling van het bestemmingsplan. Een dergelijk besluit dient wel bekend gemaakt te worden in de Staatscourant en op ruimtelijkeplannen.nl.

Ook kan de raad er voor kiezen om in…

Verder lezen
Terug naar overzicht