Art. - Vergoedingsaanspraken bij wederkerige overeenkomsten in faillissement: HR 2 december 2016, NJ 2017/19 en 20


Artikel 37 Fw bepaalt sinds 1992 dat de curator die een door de gefailleerde gesloten overeenkomst niet gestand doet het recht verliest om nakoming van deze overeenkomst te vorderen. Deze bepaling deed de vraag rijzen of, en zo ja op welke grondslag, de curator nog vergoeding zou kunnen vorderen van prestaties die door de gefailleerde al voor zijn faillietverklaring waren verricht. De Hoge Raad heeft op 2 december 2016 een tweetal arresten gewezen waarin deze vraag aan de orde komt.

Inleiding

Het is tobben met overeenkomsten in faillissement. De regeling met betrekking tot overeenkomsten in de Faillissementswet kenmerkt zich door een summier karakter, dat in schril contrast staat met het belang dat overeenkomsten in de huidige tijd bij de afwikkeling van faillissementen, in het bijzonder van ondernemingen, plegen te vertegenwoordigen. Niet alleen schiet de regeling tekort in haar reikwijdte, maar ook roept zij nog steeds vele vragen op.1

In deze bijdrage bespreek ik een tweetal recente arresten van de Hoge Raad, waarin deze antwoord geeft op enkele van deze vragen. In beide arresten had de casus betrekking op het faillissement van een aannemer van een omvangrijk bouwproject, waarbij (i) de curator te kennen had gegeven de aannemingsovereenkomst niet gestand te willen doen, (ii) er door de aannemer voor het faillissement werkzaamheden waren verricht waarvoor door de opdrachtgevers nog geen vergoeding was betaald en (iii) de opdrachtgevers niet tot ontbinding van de aannemingsovereenkomst overgingen. Voordat deze arresten werden gewezen was onduidelijk of de curator in een dergelijk geval van de wederpartij vergoeding kon vragen voor de al door de aannemer geleverde prestaties. De Hoge Raad beslist in bevestigende zin en motiveert dit…

Verder lezen
Terug naar overzicht