Artikel 7:230a BW; wanneer moet het verzoekschrift worden ingediend


In het Burgerlijk Wetboek wordt een onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten gebouwde onroerende zaken. Woningen, bedrijfsruimte – waaronder in het wetboek bedrijfsruimte wordt verstaan waarop het regime van art. 7:290 BW van toepassing is, zoals winkels en horeca – en de restcategorie. Deze restcategorie bevat een grote groep gebouwde onroerende zaken zoals kantoren, loodsen, garages etc. Dikwijls wordt deze groep aangeduid als ‘kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW’. Dit artikel beperkt zich tot deze groep bedrijfsruimten, hierna kortheidshalve aangeduid als ‘overige bedrijfsruimte’.

1 Inleiding

Op huurovereenkomsten voor overige bedrijfsruimte zijn weinig dwingendrechtelijke bepalingen van toepassing. Partijen hebben dan ook veel contractsvrijheid. De huurovereenkomst die voor een bepaalde tijd is aangegaan eindigt zonder dat een opzegging nodig is wanneer die bepaalde tijd is verstreken. Is de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan of voor onbepaalde tijd verlengd, dan eindigt deze door opzegging. Op grond van de wet geldt slechts een opzeggingstermijn van ten minste één maand. In veel huurovereenkomsten voor overige bedrijfsruimte wordt aangesloten bij de bepalingen zoals deze gelden voor art. 7:290 bedrijfsruimte. Regelmatig komen dan ook termijnen voor van vijf + vijf jaar en een opzegtermijn van één jaar. Dit kan in het belang zijn van partijen, maar is dus wettelijk gezien niet nodig.

De enige bijzondere bepaling die is opgenomen voor overige bedrijfsruimte is neergelegd in art. 7:230a BW. Dit artikel heeft betrekking op de zogenoemde ‘ontruimingsbescherming’.

De ontruimingsbescherming is niet nieuw en was tot 1 augustus 2003 neergelegd in de Huurwet. Niettemin is het aardig om nog eens stil te…

Verder lezen
Terug naar overzicht