Asymmetrische behandeling arbeidskosten leidt niet tot verboden discriminatie


Samenvatting

Belanghebbende was in 2003 in dienstbetrekking werkzaam als universitair hoofddocent. In geschil is of belanghebbende recht heeft op aftrek van beroepskosten. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de onmogelijkheid om beroepskosten in aftrek te brengen in strijd is met het verbod van discriminatie, zoals neergelegd in internationale verdragen, aangezien deze kosten wel door de werkgever belastingvrij mogen worden vergoed. Dit beroep doet het hof af onder verwijzing naar HR 8 juli 2005, nr. 39.870, NTFR 2005/902 en HR 25 januari 2008, nr. 41.927, NTFR 2008/203. Voorts doet belanghebbende, onder verwijzing naar het besluit van de staatssecretaris van 14 oktober 2005, nr. DGB2005/5489M, NTFR 2005/1389, een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Het hof beslist dat leden van gedeputeerde staten en wethouders feitelijk en rechtens niet tot dezelfde groep als belanghebbende behoren. Zelfs als er veronderstellenderwijs van een gelijke positie uit zou worden gegaan, gaat het beroep van belanghebbende niet op. Wanneer beleid dat berust op een onjuiste rechtsopvatting naar zijn bedoeling slechts is uitgevoerd ten aanzien van een bepaalde groep belastingplichtigen en aannemelijk is, zoals hier, dat het zonder die onjuiste rechtsopvatting achterwege zou zijn gebleven, kunnen belastingplichtigen die niet tot die bepaalde groep behoren niet met vrucht een beroep doen op toepassing van het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur.

(Hoger beroep ongegrond.)

Commentaar

Deze al wat oudere uitspraak van Hof Den Haag is nu pas gepubliceerd. De belanghebbende wil aftrek van beroepskosten. Het hof neemt twee beslissingen, die beide volledig in lijn zijn met de geldende jurisprudentie. De eerste beslissing…

Verder lezen
Terug naar overzicht