Autoriteit Persoonsgegevens: gemeenten mogen geen camera’s gebruiken bij opsporen uitkeringsfraude


De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft gemeenten en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geïnformeerd over het gewijzigde juridische kader met betrekking tot het gebruiken van camera’s bij het opsporen van uitkeringsfraude. Gemeenten die deze methode inzetten, moeten hiermee stoppen.

Uitspraak Centrale Raad van Beroep

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft op 13 september 2016 (CRvB 13 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3479 geoordeeld dat de inzet van een verborgen camera in bestuursrechtelijke handhavingstrajecten alleen op een wettelijke regeling kan worden gebaseerd. Zo’n regeling zou adequate en effectieve waarborgen moeten bevatten en bepalen onder welke omstandigheden een camera kan worden ingezet. Een dergelijke wettelijke regeling bestaat nu niet. Dat betekent dat gemeenten nu geen verborgen camera’s mogen inzetten om uitkeringsfraude op te sporen. Dit mag ook niet in uitzonderlijke gevallen.

Strijd met EVRM  

Het gebruik van een heimelijk opgestelde camera kan volgens de CRvB niet op art. 53a, zesde lid, Participatiewet (onderzoek naar juistheid en volledigheid verstrekte gegevens door gemeente) worden gebaseerd. Deze algemeen geformuleerde bepaling vormt geen nauwkeurige wettelijke basis die voldoet aan de eisen die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) daaraan stelt, evenmin als titel 5.2 van hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat doet (art. 5:11 Awb tot en met art. 5:20 Awb). Om deze reden is, aldus de CRvB, heimelijk gebruik van een camera in strijd met art. 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) (het recht op respect voor het privéleven).

Inzet camera’s eerder wel toegestaan

In 2013 heeft de AP een protocol van de gemeente Nijmegen om verborgen camera's in te zetten om uitkeringsfraude op te sporen rechtmatig verklaard. De AP gaf toen aan dat deze inzet in bepaalde, uitzonderlijke gevallen rechtmatig was. Dit deed de AP mede op basis van de op dat moment geldende jurisprudentie van de CRvB. Het inzetten van deze methode mocht alleen in uitzonderlijke situaties en als aan de waarborgen uit de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) was voldaan.  Vanaf mei 2013 bestond voor gemeenten die verborgen camera's wilden inzetten om uitkeringsfraude op te sporen een procedure die er op zag dat gemeenten de verwerking van de verzamelde persoonsgegevens (de camerabeelden) vooraf lieten toetsen door de AP. Gemeenten die aangaven het Nijmeegse protocol onverkort te volgen, konden een aanzienlijk kortere onderzoeksprocedure bij de AP doorlopen.

Conclusie AP

De AP concludeert op basis van de genoemde CRvB-uitspraak dat het verzamelen van persoonsgegevens door middel van heimelijk opgestelde camera’s in strijd is met art. 8 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De AP zal daarom op korte termijn de procedure opstarten voor de formele intrekking van het besluit waarin voornoemd “Nijmeegs” protocol rechtmatig was verklaard.

Bron: Autoriteit Persoonsgegevens, 21 december 2016

Verder lezen
Terug naar overzicht