Bedrijfsopvolgingsfaciliteit geldt niet voor verkrijging van beleggingsvermogen


Samenvatting

In deze conclusie gaat het om de vraag of belanghebbende aanspraak kan maken op de toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van art. 35b, lid 1, SW 1956. De bedrijfsopvolgingsfaciliteit heeft tot doel de verkrijging van ondernemingsvermogen krachtens erfrecht of door schenking, hetgeen zich pleegt af te spelen binnen de familiesfeer, fiscaal niet te belemmeren. De doelstelling van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit brengt mee dat een overgang van beleggingsvermogen of van aandelen in een vennootschap die slechts beschikt over beleggingsvermogen, niet voor faciliëring in aanmerking komt. Indien een vennootschap zowel ondernemingsvermogen als beleggingsvermogen bezit, zal splitsing moeten plaatsvinden, zodanig dat de faciliteit slechts ziet op het deel dat ondernemingsvermogen is. Gelet hierop, is de advocaat-generaal van mening dat de faciliteit slechts van toepassing is indien de vennootschap een materiële onderneming drijft. De fictieve uitbreiding in de sfeer van de vennootschapsbelasting (art. 4, onder b, Wet VPB 1969) geldt volgens de advocaat-generaal niet voor de toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van SW 1956.

Nu belanghebbende niet voldoet aan genoemd criterium, dient het beroep in cassatie van belanghebbende volgens de advocaat-generaal ongegrond te worden verklaard.

Commentaar

In het kader van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in SW 1956 komt steeds de vraag op of sprake is van een 'echte' onderneming (materiële ondernemingseis). In de lezenswaardige conclusie van A-G IJzerman wordt deze vraag ontkennend beantwoord voor de situatie waarin sprake is van verhuur van een onroerende zaak door A bv aan B bv.

De erflater hield een aanmerkelijk belang in A bv en in B bv. Er is echter geen aandelenband tussen A bv in B bv. A…

Verder lezen
Terug naar overzicht