Belanghebbende mag uitgaan van CO2-uitstoot van 350 gr/km ook al is daadwerkelijke CO2-uitstoot hoger


Samenvatting

Belanghebbende heeft ter zake van de registratie van een uit het buitenland afkomstige auto aangifte BPM gedaan. De daadwerkelijke CO2-uitstoot van de auto is 388 gr/km. Belanghebbende is van mening dat de CO2-uitstoot niet hoger gesteld kan worden dan de in art. 9, lid 11, Wet BPM opgenomen uitstoot van 350 gr/km. Het hof volgt hem in die stelling. Belanghebbende heeft volgens het hof aannemelijk gemaakt dat niet kan worden uitgesloten dat de heffing ter zake van de auto hoger is dan het laagste restbedrag van de heffing dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds op het nationale grondgebied geregistreerde tweedehands voertuigen. Zo heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat er niet altijd (meer) een certificaat van overeenstemming (CVO) beschikbaar is op het moment waarop aangifte BPM moet worden gedaan. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat bij het ontbreken van een CVO geen meting in de zin van art. 6a, aanhef en onder d, Uitv.reg. BPM kan worden afgedwongen. Hierdoor heeft een belastingplichtige in een situatie waarin een CVO ontbreekt als het ware de keuze om aangifte te doen tegen de daadwerkelijke uitstoot, zoals die door een meting wordt vastgesteld, of tegen de uitstoot die is opgenomen in art. 9, lid 11, Wet BPM, zijnde 350 gr/km. Nu niet kan worden uitgesloten dat bij vergelijkbare voertuigen, waarvan de uitstoot niet bekend was, geen meting heeft plaatsgevonden en dat bij de bepaling van de verschuldigde BPM is uitgegaan van een uitstoot van 350 gr/km, is het hof van oordeel dat…

Verder lezen
Terug naar overzicht