Belanghebbende is terecht aansprakelijk gesteld voor VPB-schuld van voormalige dochtermaatschappij


Samenvatting

Uitspraak na verwijzing HR 8 april 2016, nr. 14/06275, NTFR 2016/1131.

Belanghebbende, een bv, was tot 31 juli 2007 enig aandeelhouder en bestuurder van A bv. A bv had in maart 2007 een boekwinst behaald bij de verkoop van een pand. Na deze verkoop heeft belanghebbende het bedrag van de boekwinst in rekening-courant bij A bv opgenomen. Op 31 juli 2007 heeft belanghebbende de aandelen in A bv verkocht aan L bv. De koopsom is gedeeltelijk voldaan door overname van de schuld in rekening-courant. Eveneens op 31 juli 2007 heeft A bv onroerende zaken gekocht van een concernvennootschap. Op deze zaken rustten op dat moment al hypotheken en beslagen ten behoeve van schuldeisers van een concernvennootschap. In 2008 zijn de onroerende zaken door de hypotheekhouder executoriaal verkocht. Aan A bv is een aanslag VPB 2007 opgelegd, waarin de boekwinst op het pand is begrepen. Deze aanslag is niet betaald, waarna belanghebbende aansprakelijk is gesteld op grond van art. 40 IW 1990. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat ook rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld op grond van art. 40 IW 1990. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Den Bosch voor een hernieuwd onderzoek in volle omvang omdat de oordelen van Hof Arnhem-Leeuwarden (18 november 2014, nr. 14/00209, NTFR 2015/596) onvoldoende waren gemotiveerd.

Na verwijzing oordeelt het hof dat de overdracht van de onroerende zaken aan A bv heeft geleid tot een vermogensvermindering binnen A bv. Het hof kwalificeert de aankoop van de onroerende zaken door A bv als onzakelijke transactie…

Verder lezen
Terug naar overzicht