Belanghebbende voldoet niet aan voorwaarden voor reisaftrek


Samenvatting

Belanghebbende heeft in zijn aangifte reisaftrek in aanmerking genomen. De inspecteur heeft deze gecorrigeerd. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op reisaftrek, omdat de overgelegde reisverklaring niet voldoet. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij met het openbaar vervoer heeft gereisd en heeft overigens ook niet aannemelijk gemaakt dat hij voor de reisaftrek in aanmerking komt. Het beroep van belanghebbende op de meerderheidsregel (toepassing van het gelijkheidsbeginsel) slaagt niet omdat de vergelijkbare gevallen (acht collega’s van belanghebbende) waarin de inspecteur de reisaftrek ten onrechte heeft verleend, door hem zijn nagevorderd.

(Hoger beroep ongegrond.)

Commentaar

De reisaftrek, opgenomen in art. 3.87 Wet IB 2001, biedt werknemers een forfaitaire aftrekpost indien zij voor woon-werkverkeer gebruikmaken van het openbaar vervoer. De hoogte van de aftrekpost is afhankelijk van het aantal reisdagen en de reisafstand. Medewerking van de werkgever is in beginsel niet vereist. Een belastingplichtige komt slechts in aanmerking voor de reisaftrek als hij in het bezit is van een openbaarvervoerverklaring verstrekt door het openbaarvervoerbedrijf. Indien dat niet mogelijk is vanwege de gebruikte kaartsoort mag als alternatief een door de werkgever ondertekende verklaring worden gebruikt, de zogenoemde reisverklaring.

Art. 3.87, lid 9, Wet IB 2001 bepaalt dat de afgelegde reisafstand uitsluitend (!) blijkt uit de openbaarvervoer- of reisverklaring. Mijns inziens moet de reisafstand zoals gedefinieerd in art. 3.87, lid 2 dus worden vermeld in de reisverklaring. Een korte zoektocht op internet leert dat dit niet altijd gebeurt. Ingevolge art. 16 Uitv.reg. IB 2001 bevat de…

Verder lezen
Terug naar overzicht