Belgische roerende voorheffing op rente vormt geen beperking van de vrijheid van vestiging


Samenvatting

Op rente van leningen die een in België gevestigde vennootschap aan haar in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij betaalt, wordt in België een bronbelasting – roerende voorheffing – ingehouden. Soortgelijke rente die aan ingezeten moedermaatschappijen wordt betaald, is daarentegen vrijgesteld van de roerende voorheffing, maar wordt bij de moedermaatschappij belast in de vennootschapsbelasting. Het kapitaal van de Belgische vennootschap Truck Center SA is voor 48% in handen van de Luxemburgse vennootschap SA Wicker Finances. Op 25 februari 1992 leende zij aan Truck Center 50 miljoen BEF. Truck Center boekte de rente van de lening voor de jaren 1994 tot en met 1996, maar betaalde deze niet en hield ook geen roerende voorheffing in. Bij bericht van 11 december 1997 betekende de Belgische belastingadministratie Truck Center een aanslag van ambtswege inzake de roerende voorheffing; het tarief bedroeg 13,39% voor 1994 en 1995, en 15% voor 1996. Het Hof van Beroep te Luik, waarbij het geding thans aanhangig is, heeft het Hof van Justitie EG prejudiciële vragen gesteld. Anders dan de verwijzende rechter meent het Hof dat de Belgische regeling getoetst moet worden aan de vrijheid van vestiging, gelet op de beslissende invloed die de Luxemburgse vennootschap kon uitoefenen op het bestuur van Truck Center. Om uit te maken of het verschil in fiscale behandeling tussen ingezeten en niet-ingezeten moedermaatschappijen discriminerend is, gaat het Hof na of de betrokken vennootschappen zich in een objectief vergelijkbare situatie bevinden. Het Hof komt tot de conclusie dat zulks niet het geval is. Voorts merkt het Hof op dat uit de Belgische regeling bovendien niet noodzakelijkerwijs een voordeel voor de ingezeten renteontvangende vennootschappen…

Verder lezen
Terug naar overzicht