Beroep tegen fictieve weigering ontvankelijk


Samenvatting

Aan belanghebbende is in 2004 een navorderingsaanslag VPB opgelegd en een vergrijpboete. Belanghebbende heeft daartegen in 2004 pro forma bezwaar gemaakt, wat zij in augustus 2007 – na uitkomst van een bestuursrechtelijke procedure – heeft gemotiveerd. In december 2007 stelt belanghebbende beroep in tegen het uitblijven van de uitspraken op bezwaar van de inspecteur. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de termijn voor het doen van uitspraak is ingegaan op het moment dat belanghebbende haar bezwaar heeft gemotiveerd en dat derhalve het door belanghebbende ingestelde beroep tegen de fictieve weigering prematuur is en niet-ontvankelijk.

De rechtbank is van oordeel dat de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar verlopen is op 31 juli 2008 en dat er op deze datum sprake was van een fictieve weigering nu er geen uitspraken op bezwaar waren, die gelet op het bepaalde in art. 6:2 Awb gelijk worden gesteld met een besluit. Vervolgens brengt art. 6:20 Awb naar het oordeel van de rechtbank mee dat het beroepschrift geacht wordt te zijn gericht tegen dit besluit. Zo dit niet direct uit de tekst van de Awb voortvloeit, leidt een redelijke wetstoepassing tot dit oordeel. De inspecteur wordt opgedragen binnen zes weken uitspraken op bezwaar te doen.

(Beroep gegrond.)

Verder lezen
Terug naar overzicht