Besluit schadevergoeding net op zee


Besluit van 23 maart 2016, houdende regels met betrekking tot de schadevergoeding bij niet-beschikbaarheid van het net op zee (Besluit schadevergoeding net op zee). Dit Besluit is op 1 april 2016 in werking getreden.

Aanleiding voor dit besluit is de wijziging van de Elektriciteitswet 1998 (tijdig realiseren doelstellingen Energieakkoord) (hierna: wet). Met die wijziging wordt onder meer geregeld dat een producent die elektriciteit opwekt met windmolens op zee recht heeft op een schadevergoeding in bepaalde gevallen waarin het net op zee niet beschikbaar is voor transport van geproduceerde elektriciteit. In de wet is tevens voorzien in een grondslag voor het stellen van nadere regels bij of krachtens algemene maatregel van bestuur over het recht op schadevergoeding en de bestanddelen waaruit deze bestaat. Met dit besluit worden die nadere regels gesteld

Artikel 16f, lid 1 van de Elektriciteitswet 1998 bepaalt dat producenten recht hebben op een vergoeding van schade door de netbeheerder van het net op zee, indien dat net geheel of gedeeltelijk te laat wordt opgeleverd, of indien het net om andere redenen dan normaal te verwachten onderhoud niet beschikbaar is. In artikel 2 van dit besluit is het recht op schadevergoeding nader uitgewerkt. Zo is geregeld dat een producent aanspraak kan maken op de vergoeding indien de funderingen van het windpark reeds zijn aangelegd en, indien zijn windpark niet gebruiksklaar is, wanneer hij aannemelijk kan maken dat het windpark wel gebruiksklaar was geweest indien geen schadebeperkende maatregelen waren genomen. Concreet betekent dit dat de producent in ieder geval moet aantonen dat de funderingen waren aangelegd ten tijde van de te late oplevering of de onderbreking van het transport van elektriciteit. De producent heeft dan in twee gevallen recht op schadevergoeding.

Ten eerste wanneer het windpark gebruiksklaar is. Daarvan is sprake als de windturbines op de funderingen zijn geplaatst en de kabels van de windturbines naar het platform van het net op zee zijn gelegd en aangesloten. In dit geval is het duidelijk dat er schade (gederfde opbrengst) is.
In het tweede geval is het windpark niet gebruiksklaar omdat de producent vanwege de inmiddels gebleken vertraging van het net op zee zijn turbines en kabels nog niet heeft geplaatst om (grotere) financiële of fysieke schade te voorkomen. In dit geval dient de producent aan te tonen dat het windpark wel gebruiksklaar was geweest als het net op zee niet vertraagd zou zijn geweest.

Als gevolg van deze systematiek kan een vertraging in de bouw van het windpark daarom tot gevolg hebben dat geen of geen volledig recht op schadevergoeding op grond van artikel 16f van de Elektriciteitswet 1998 ontstaat.

Het wettelijk recht op schadevergoeding geldt slechts indien een causaal verband bestaat tussen niet-beschikbaarheid van het net en geleden schade. Hieraan wordt in dit besluit ook invulling gegeven, doordat wordt bepaald wat wordt verstaan onder het begrip “het voor de ontsluiting van het windpark noodzakelijk deel van het net op zee”.

Artikel 16f, lid 1, onderdeel b, van de wet bepaalt dat slechts schadevergoeding verschuldigd is indien de hoeveelheid elektriciteit die niet kon worden getransporteerd groter is dan de hoeveelheid elektriciteit die tijdens redelijkerwijs noodzakelijk onderhoud niet kan worden getransporteerd. Met dit besluit wordt tevens het begrip “redelijkerwijs noodzakelijk onderhoud” ingevuld.

Het tweede lid van artikel 16f van de Elektriciteitswet 1998 bepaalt dat de verschuldigde vergoeding bestaat uit gevolgschade en de schade van de gederfde of uitgestelde inkomsten. Ook hierover worden nadere regels gesteld in dit besluit. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen schade als gevolg van te late oplevering van het net en schade als gevolg van niet-beschikbaarheid na de oplevering van het net op zee. Verschillende aspecten van die regeling behoeven uitwerking. In dit besluit wordt vastgelegd dat slechts het deel van het net op zee in ogenschouw wordt genomen dat voor de ontsluiting van het park noodzakelijk is. Voorts wordt geregeld dat een rechts op schadevergoeding slechts bestaat vanaf het moment waarop de fundering van het windpark klaar is en in gevallen waarop het windpark niet gebruiksklaar is, de producent kan aantonen dat het park gebruiksklaar zou zijn geweest, als daarvan niet zou zijn afgezien om schade te beperken.

Het recht op schadevergoeding bij niet-beschikbaarheid van het net op zee wordt op grond van de wet beperkt door jaarlijks een periode uit te zonderen ten behoeve van onderhoud van het net. In dit besluit wordt vastgelegd dat die periode vijf dagen per jaar is.
De kosten die op basis van deze regeling voor vergoeding in aanmerking komen zijn afhankelijk van de situatie. Bij te late oplevering van het net op zee betreft dat uitgestelde inkomsten en de gevolgschade. Bij niet beschikbaarheid van het net komen gemiste inkomsten uit elektriciteitsverkoop en gevolgschade voor vergoeding in aanmerking. Zowel bij te late oplevering van het net op zee als bij niet-beschikbaarheid is een belangrijk onderdeel van het bepalen van de hoogte van eventuele schadevergoeding het bepalen hoeveel elektriciteit het windpark had kunnen produceren. Dit wordt bepaald op basis van gegevens over de windsnelheid en gegevens over de hoeveelheid elektriciteit die het windpark kan produceren bij elke windsnelheid. Bij ministeriële regeling zal hiervoor een rekenmodel worden uitgewerkt.

De verplichting tot betaling van de vergoeding ontstaat op grond van artikel 16f van de Elektriciteitswet 1998 als voldaan is aan de voorwaarden van dat artikel. De verplichting tot het betalen van een schadevergoeding is derhalve een verbintenis in de zin van artikel 1 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Indien een geschil bestaat over de vraag of in een bepaald geval schadevergoeding verschuldigd is of over de hoogte van het verschuldigde bedrag is de burgerlijke rechter bevoegd daarover te beslissen.
STB 2016, 118

Verder lezen
Terug naar overzicht