Bevoordeling bij overname landbouwbedrijf vormt geen schenking (I)


Samenvatting

Belanghebbende oefende gedurende enige jaren met zijn vader in de vorm van een maatschap een veehouderij uit. Op het moment dat zijn vader uit de maatschap treedt, maakt belanghebbende gebruik van zijn recht om de onderneming voort te zetten. Om een nog juist lonende exploitatie van de onderneming mogelijk te maken, bedroeg de overnamesom f 96.602. De waarde in het economische verkeer (WEV) lag op dat moment beduidend hoger. In geschil is of sprake is van een schenking. Naar het oordeel van de Hoge Raad is daarvan geen sprake. In een situatie als de onderhavige, wordt de rechtsbetrekking tussen de deelgenoten in een gemeenschap beheerst door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Deze maatstaven staan in de weg aan een waardering die voortzetting van een (nog juist lonend) bedrijf onmogelijk maakt. Een waardering op een lagere dan de economische waarde om voortgezette bedrijfsuitoefening te verzekeren, vloeit dan ook voort uit de nakoming van een verplichting, en heeft niet de bedoeling tot bevoordeling. Van een schenking is geen sprake.

Feiten

3.1.1. Belanghebbende heeft van 1 januari 1992 tot en met 30 december 1999 in een maatschap met zijn vader (hierna ook: de vader) het veehouderijbedrijf uitgeoefend. Bij de totstandkoming van de maatschap had de vader zich de stille reserves voorbehouden met betrekking tot de door hem in eigendom dan wel economische eigendom ingebrachte bedrijfsmiddelen. Voorts had hij het gebruik en genot van percelen weiland en het hiermee verbonden melkquotum ingebracht.

3.1.2. Op 31 december 1999 is de vader uit de maatschap getreden en is de maatschap ontbonden…

Verder lezen
Terug naar overzicht