Naar de inhoud

Bewijsrecht in ontnemingszaken

Het bewijsrecht speelt een belangrijke rol in de ontnemingsprocedure. Is de vereiste bewijsgraad te hoog dan is het onmogelijk om effectief te ontnemen. Is de bewijsgraad te laag dan is de kans groot dat er meer wordt ontnomen dan daadwerkelijk is verkregen. Het is van groot belang dat er meer duidelijkheid komt over het geldende bewijsregime in ontnemingszaken, want op dit moment wordt de bewijslast vaak te snel aan de betrokken burger toebedeeld.

1 Inleiding

De Hoge Raad overwoog in 2001 over het bewijsrecht in ontnemingszaken dat uit de wetshistorie volgde dat de wil van de wetgever eerder op een versoepeling van het bewijsregime in ontnemingszaken ten opzichte van dat regime in strafzaken duidde dan op een verzwaring daarvan.1 Tot op heden heeft de Hoge Raad echter nooit uiteengezet waar deze versoepeling van het bewijsregime dan uit zou bestaan. Als gevolg van het uitblijven van nadere uitleg door de Hoge Raad is tot op heden onduidelijk of inderdaad sprake is van een versoepeling van het bewijsregime en, zo ja, voor welke onderdelen van het bewijsrecht in ontnemingszaken die versoepeling dan geldt. De praktijk leert dat deze onduidelijkheid vaak ten koste gaat van de burger die betrokken raakt bij een ontnemingszaak. Zo wordt in ontnemingszaken kwistig met termen als ‘bewijslastverdeling’ gestrooid, waarbij men niet altijd even helder voor ogen lijkt te hebben wat deze bewijslastverdeling inhoudt en wanneer deze van toepassing is. Voorts lijkt er nog steeds onduidelijkheid te bestaan over begrippen als ‘voldoende aanwijzingen’ en ‘aannemelijk’ als bedoeld in lid 2 en 3 van artikel 36e Sr. Daarnaast is er met de introductie van het wettelijke bewijsvermoeden in 2011 de vraag gerezen of deze…