Bij eigen speciale regel is algemene afrondingsregel bij bepaling pro rata niet verplicht


Samenvatting

Royal Bank of Scotland (RBS) verricht belaste en vrijgestelde handelingen. De met berekening van btw betrokken goederen en diensten worden voor deze handelingen gebruikt. Het deel van de door RBS voldane voorbelasting dat niet volledig kan worden toegerekend aan of belaste of vrijgestelde handelingen wordt gekwalificeerd als ‘resterende' voorbelasting. Op 31 mei 2002 heeft RBS met de belastingautoriteiten een overeenkomst gesloten omtrent toepassing van speciale methoden voor de aftrek van deze resterende voorbelasting. Deze overeenkomst kende parameters voor een speciale methode voor elke van haar bedrijfssectoren en bepaalde met name dat, wanneer een speciale methode voor een (deel van een) bedrijfssector van RBS voorschreef dat de voorbelasting kon worden gerecupereerd naar maatstaf van een berekend percentage, dat percentage naar boven moest worden afgerond tot op twee cijfers na de komma. Een nationale bepaling op dat vlak gold niet. Naderhand was RBS van mening dat deze afrondingsregel in strijd was met art. 17 en 19 Zesde Richtlijn. RBS stelde dat moest worden afgerond tot op het hogere hele getal en zij heeft toestemming van de autoriteiten gevraagd om een methode voor het bepalen van het bedrag van in een bepaalde bedrijfssector aftrekbare resterende voorbelasting te mogen gebruiken waarbij werd afgerond op het hogere hele getal. Op de vragen uit de na afwijzing van dit verzoek gevolgde gerechtelijke procedure verklaart het Hof van Justitie EG voor recht dat de lidstaten niet verplicht zijn de afrondingsregel van art. 19, lid 1, tweede alinea, Zesde Richtlijn toe te passen wanneer het pro rata voor de toepassing van het recht op aftrek van de voorbelasting wordt berekend volgens een van de speciale methoden van art. 17, …

Verder lezen
Terug naar overzicht