In boeteprocedure rust de bewijslast voor termijnoverschrijding op de inspecteur


Samenvatting

Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag met een boete opgelegd. Het ter zake daarvan ingestelde beroep is door Rechtbank Den Haag niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding. Het daartegen ingestelde verzet is ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het beroepschrift tijdig ter post heeft bezorgd. In cassatie laat de Hoge Raad dit oordeel in stand voor zover het ziet op het beroep inzake de navorderingsaanslag. Voor het beroep inzake de boetebeschikking is dit anders. Daarvoor kan een niet-ontvankelijkheid slechts worden uitgesproken indien de onjuistheid van de stelling van belanghebbende is bewezen.

Volgens de Hoge Raad dient het verzet gegrond te worden verklaard.

Feiten

3.1. De Rechtbank heeft, recht doende op het verzet, geoordeeld dat belanghebbende terecht kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. De Rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het beroepschrift tijdig ter post heeft bezorgd en voorts dat met de door belanghebbende in de beroepsfase aangevoerde reden voor de termijnoverschrijding, te weten ernstige ziekte en stress, geen rechtvaardiging is gegeven voor de termijnoverschrijding. Tegen dit oordeel richten zich de middelen.

Geschil

In geschil is of de rechtbank het verzet terecht ongegrond heeft verklaard.

Rechtsoverwegingen

3.2. Voor zover de bestreden beslissing betrekking had op de navorderingsaanslag, kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.3. Voor zover de bestreden…

Verder lezen
Terug naar overzicht