Borgstelling onzakelijk omdat een onafhankelijke derde niet bereid zou zijn eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden


Samenvatting

Belanghebbende is enig aandeelhouder van een aantal bv’s. In 2004 heeft belanghebbende zich in het kader van een aan de bv’s verstrekte lening jegens de bank borg gesteld voor al hetgeen de bv’s aan de bank verschuldigd (zullen) zijn. Nadien zijn er door de bank nog een aantal kredieten verstrekt waarvoor de borgstelling gold. In 2012 zijn de bv’s failliet verklaard. In geschil is of de borgstelling zakelijk is en zo ja, of belanghebbende in 2010 een voorziening mocht vormen omdat hij in dat jaar is aangesproken als borg. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat een onafhankelijke derde in 2004 niet bereid zou zijn geweest eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden als belanghebbende heeft gedaan. De rechtbank oordeelt overeenkomstig en overweegt dat een schriftelijke borgstellingsovereenkomst ontbreekt, dat er geen vergoeding voor de borgstelling is afgesproken en dat er geen zekerheden zijn verstrekt. De verklaring van belanghebbende dat hij dit niet nodig achtte omdat hij als directeur zelf een vinger aan de pols hield, duidt erop dat de borgstelling heeft plaatsgevonden in de hoedanigheid van aandeelhouder. Dat geldt ook voor de verklaring dat de borgstelling is geschied om voor de bv’s gunstiger financiële leningsvoorwaarden te krijgen.

(Beroep ongegrond.)

Commentaar

Uit de onzakelijkeleningenjurisprudentie is inmiddels voldoende duidelijk dat een risico dat een aanmerkelijk belanghouder in zijn hoedanigheid van aandeelhouder aanvaardt niet in aanmerking kan worden genomen bij het vaststellen van het resultaat uit overige werkzaamheden. Bij zijn arrest van 12 december 2003 (nr. 38.124, NTFR 2003/2112, met commentaar van Hemels) heeft de Hoge Raad al beslist dat dit ook geldt…

Verder lezen
Terug naar overzicht