In box 1 kan geen rekening worden gehouden met de negatieve waarde van een interest rate swap die samenhangt met lening


Samenvatting

Belanghebbende heeft met ingangsdatum 2 juli 2007 en einddatum 1 juli 2017 een renteswap-overeenkomst met een bank gesloten op basis van een hoofdsom van € 7 miljoen. Uit hoofde van deze interest rate swap (IRS) moest belanghebbende een vaste rente betalen. Daarnaast sloot belanghebbende een hypothecaire lening af van eveneens € 7 miljoen met een variabele rente, die deels behoort tot de rendementsgrondslag van box 3 en deels in aanmerking wordt genomen in het kader van het belastbaar inkomen uit werk en woning. In april 2012 werden over de lening met terugwerkende kracht nieuwe renteafspraken gemaakt die ertoe leidden dat de marktwaarde van de IRS voor belanghebbende negatief was op 31 december 2007, 2008 en 2009. In zijn aangifte IB/PVV merkte belanghebbende de IRS aan als een zelfstandig vermogensbestanddeel. Voorts bracht hij in 2009 een bedrag van € 121.857 als kosten in mindering op zijn inkomen van box I. Met Rechtbank Noord-Holland oordeelt het hof dat tussen de lening en de IRS een zodanige samenhang bestaat dat – in dezelfde mate als dat het geval is met de lening – ook de IRS tot het werkzaamheidsvermogen van belanghebbende moet worden gerekend. De IRS functioneert als een ‘cash flow hedge’ waarmee het kasstroomrisico is ‘afgedekt’ dat verbonden is aan de over de lening verschuldigde variabele rente. Daartoe dienen de IRS en de lening, bezien in samenhang, voor de toepassing van goed koopmansgebruik te worden gekwalificeerd als een langlopende (hypothecaire) lening met een hoofdsom – bij aanvang van de lening – van € 7 miljoen tegen een vaste, jaarlijks verschuldigde rente van 4,460%. Voor…

Verder lezen
Terug naar overzicht