Box 3-heffing voor verhuurde bovenwoning met huurbescherming is niet strijdig met art. 1 EP


Samenvatting

Deze zaak betreft de verwijzingsprocedure na HR 24 april 2015, nr. 14/01504, NTFR 2015/1539.

Belanghebbende is eigenaar van een door hem verhuurde bovenwoning. De huurder geniet huurbescherming. Bij het bepalen van de box 3-grondslag is de inspecteur uitgegaan van de wettelijke regeling, te weten de WOZ-waarde vermenigvuldigd met de leegwaarderatio. De Hoge Raad heeft in NTFR 2015/1539 geoordeeld dat als door een stapeling van forfaits de in aanmerking te nemen waarde van de verhuurde woning meer dan 10% hoger is dan de werkelijke waarde, uitgegaan mag worden van de werkelijke waarde. Na verwijzing heeft Hof Arnhem-Leeuwarden (23 februari 2016, nr. 15/00699, NTFR 2016/1013) geoordeeld dat voor box 3 uitgegaan mag worden van de werkelijke waarde. Verder heeft het hof geoordeeld dat van strijd met art. 1 EP geen sprake is. Daartegen heeft belanghebbende cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad onderschrijft het oordeel van het hof. Voor het aannemen van strijd met art. 1 EP (bij het EVRM) is immers niet voldoende dat het rendement op bepaalde bezittingen – zoals een verhuurde woning – structureel blijft beneden 4% van het daarin geïnvesteerde bedrag. Bovendien strekt de box 3-heffing ook ertoe om waardevermeerderingen van bezittingen aan belasting te onderwerpen, ook al worden deze pas later gerealiseerd. Van een ‘individual and excessive burden’ is evenmin sprake. Verder heeft belanghebbende verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad wijst dit verzoek af. Weliswaar heeft de Hoge Raad niet binnen één…

Verder lezen
Terug naar overzicht