BPM: (fiscale) herkomst van auto is geen eigenschap die aan auto kleeft; op grond van rechtszekerheidsbeginsel geen samenhang voor pkv I


Samenvatting

Belanghebbende heeft aangifte voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) gedaan voor de Nederlandse registratie van een gebruikte personenauto uit het buitenland. Hij is daarbij uitgegaan van de prijs van een zogenoemde margeauto. De inspecteur is afgeweken van de aangifte omdat hij een hogere waarde van de auto heeft vastgesteld op basis van een koerslijst van een zogenoemde btw-auto. In verband daarmee heeft hij een naheffingsaanslag opgelegd. De rechtbank (Rechtbank Den Haag 9 april 2015, nr. 14/6798) heeft de naheffingsaanslag vernietigd. Volgens de rechtbank is het onderscheid tussen enerzijds een btw-auto en anderzijds een margeauto geen concreet aanwijsbare onderscheidende eigenschap van de auto zelf. De rechtbank heeft de inspecteur veroordeeld in aan belanghebbende te betalen proceskosten en daarbij samenhang, op grond van het ‘nieuwe’ Bpb, met drie andere zaken in aanmerking genomen.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat wat betreft de heffing van BPM het gelijk aan de zijde van belanghebbende is. De in geding zijnde koerslijst is beslissend voor de bepaling van de verschuldigde BPM en belanghebbende mag de voor de auto laagste waarde op die lijst kiezen, ongeacht hoe hij eigenaar is geworden van de auto. De (fiscale) herkomst van de auto of de voor de omzetbelasting aan de auto toe te kennen status is geen eigenschap die aan de auto kleeft en beïnvloedt zodoende de heffing van BPM niet. Met betrekking tot de proceskostenveroordeling is het hof met de rechtbank van oordeel dat sprake is van samenhang in de zin van art. 3, lid 2, nieuwe Bpb. Niettemin brengt het rechtszekerheidsbeginsel mee…

Verder lezen
Terug naar overzicht