BTW en maatstaf van integratieheffing (1998.12.3694)


Een aannemer die een door hem nieuw gebouwde woning gaat verhuren, verricht daarmee een interne levering (art. 3.1.h Wet OB). Dit heeft tot gevolg dat de aannemer alle BTW die ter zake van de bouw van de woning aan hem in rekening is gebracht, als voorbelasting kan aftrekken.

De maatstaf van heffing over de interne levering is het bedrag dat voor de woning zou moeten worden betaald, indien deze op het tijdstip van de interne levering zou worden aangeschaft of voortgebracht in de toestand waarin deze zich op dat tijdstip bevindt. Uit de jurisprudentie blijkt dat in eerste instantie moet worden uitgegaan van de aankoopprijs van soortgelijke woningen. Indien er geen vergelijkbare woningen worden gebouwd en evenmin worden verhandeld, dient te worden uitgegaan van de voortbrengingskosten van de betreffende woning.

In de onderhavige casus bouwt een aannemer vier vergelijkbare woningen. Op het moment van de aanvang van de verhuur, zijn twee woningen reeds enige tijd verkocht. De derde woning is één maand voor de interne levering met betrekking tot de vierde woning verkocht.

Het Hof oordeelt dat op het moment van de interne levering geen soortgelijke woningen werden opgeleverd of verhandeld. Op grond daarvan dient te worden uitgegaan van de voortbrengingskosten van de onderhavige woning zelf.

De auteur trekt uit deze uitspraak de conclusie dat het kennelijk niet alleen moet gaan om woningen die wat betreft ligging, bouwwijze en te verschaffen woongenot vergelijkbaar zijn met de onderhavige woning. Ook van belang is dat deze vergelijkbare woningen op het tijdstip van de interne levering worden opgeleverd of verkocht. Deze beperkte uitleg zou ertoe leiden dat vrijwel nooit sprake kan zijn van soortgelijke woningen.

H. Hop

Hof Arnhem; 12 maart 1997; VGR 1998 nr 1, blz. 9;

Verder lezen