Btw-gevolgen van het nieuwe vastgoedbesluit (2014.14.3003)


In dit artikel worden de wijzigingen naar aanleiding van het nieuwe vastgoedbesluit (september 2013 gepubliceerd) besproken. De beperking van de koop/aanneemovereenkomst blijft buiten beschouwing. 

In het nieuwe besluit worden twee begrippen ‘bouwterrein’ door de Staatssecretaris gehanteerd. Het wettelijke begrip zoals dat is gedefinieerd in de Wet OB 1968 en het Europese begrip, zoals dat volgt uit de Europese Btw-richtlijn. Dit laatste begrip is ruimer; hier kan de ondernemer zich op beroepen. Verder geeft de Staatssecretaris aan dat sprake is van een ‘bouwterrein’ als een terrein met bebouwing wordt geleverd waarbij de verkoper een sloopverplichting heeft en deze sloop zal plaatsvinden met het oog op een toekomstige verbouwing. 

De verhuur van onroerend goed is in beginsel vrijgesteld van btw. Dit is anders als de verhuur opgaat in een andersoortige dienst. Dit wordt verhuur-plus genoemd. De vraag die recent aan de orde kwam is of de verhuur met aanvullend dienstbetoon moet worden aangemerkt als één samengestelde dienst of als meerdere afzonderlijke prestaties. Als sprake is van één samengestelde dienst, dan moet vervolgens worden beoordeeld of de prestatie is aan te merken als de verhuur van een onroerende zaak of van een andersoortige prestatie. In het vastgoedbesluit lijkt de staatsecretaris aan te geven dat vooral sprake zal zijn van afzonderlijke prestaties of van een samengestelde prestatie waarbij de verhuur de hoofddienst van deze prestatie vormt. Hierdoor kwalificeert in de meeste gevallen een deel van de prestatie als vrijgestelde verhuur. Door het vernieuwde besluit zal in veel gevallen geen sprake meer zijn van verhuur-plus. Ondernemers die willen dat sprake is van verhuur-plus, moeten een beroep doen op de jurisprudentie.

Volgens het besluit is het voor iedereen mogelijk om kortstondig congres-, vergader- en tentoonstellingsruimten met btw te verhuren zonder daarbij te kiezen voor een optie van belaste verhuur. Dit is enerzijds een beperking, aangezien er sprake is van een kortstondige verhuur als het gaat om een terbeschikkingstelling van maximaal een maand en de ruimte uitsluitend wordt gebruikt als congres-, vergader- en tentoonstellingsruimte. Anderzijds is het een verruiming omdat er geen groepen zijn uitgezonderd. Voor de praktijk is het van belang na te gaan voor welke doeleinden een ruimte wordt verhuurd. Volgens de letterlijke tekst van het besluit moet het gaan om vergaderruimtes.

De auteur concludeert dat het een belangrijk besluit is voor de praktijk waarbij het van belang is dat, indien een ondernemer te maken heeft met één of meerdere situaties, de gevolgen goed in de gaten worden gehouden.

C. van Vilsteren, Belastingzaken, 2014, nummer 1, pagina 24 (SH)

Verder lezen
Terug naar overzicht