Buitenlands belastingplichtige heeft geen recht op ouderentoeslag en ouderenkorting


Samenvatting

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en is ongehuwd. Zij woont sinds 1993 in België. In 2001 geniet zij een Nederlandse AOW-uitkering. Deze uitkering is voor de belastingheffing op grond van het Belastingverdrag Nederland-België toegewezen aan België. Belanghebbende geniet verder box 3-inkomen vanwege verscheidene in Nederland gelegen onroerende zaken. Dit inkomen is voor de belastingheffing toegewezen aan Nederland. In geschil is of belanghebbende als buitenlands belastingplichtige recht heeft op de ouderentoeslag in box 3 (art. 5.6 Wet IB 2001), en op het inkomstenbestanddeel van de (aanvullende) ouderenkorting (art. 8:17 en 8:18 Wet IB 2001). Volgens de Hoge Raad is dit niet het geval. Op grond van art. 25, par. 3, Belastingverdrag Nederland-België genieten inwoners van België in Nederland dezelfde persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van burgerlijke staat of samenstelling van het gezin, als inwoners van Nederland. Blijkens HR 6 november 1996, nr. 30.245, LJN: AA1740, gaat het hierbij om verplichtingen en lasten die rechtstreeks uit het familierecht voortvloeien. De ouderentoeslag en de (aanvullende) ouderenkorting zijn geen aftrekken in vorenbedoelde zin.

Feiten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en is ongehuwd. Zij woont sinds 1993 in België.

3.1.2. In 2001 heeft zij een Nederlandse AOW-uitkering genoten. Deze uitkering is voor de heffing van inkomstenbelasting op grond van het Belastingverdrag Nederland-België van 19 oktober 1970 (hierna: …

Verder lezen
Terug naar overzicht