Casestudie Monumentenvrijstelling: aandelentransacties nog altijd’ ongelijk behandeld’?!


Met het verschijnen van de uitspraak van de Hoge Raad van 23 februari 20071 en het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 11 oktober 20072 zou men verwachten dat de regeling omtrent de monumentenvrijstelling in de overdrachtsbelasting nu geheel duidelijk is. Echter, de praktijk is weerbarstig. In dit artikel zullen wij aan de hand van een actuele praktijkcasus enige knelpunten signaleren, waarbij duidelijk wordt dat er nog steeds verschillen in behandeling bestaan tussen een directe en een indirecte verkrijging van monumenten. Vervolgens geven wij enkele aanbevelingen om de gesignaleerde knelpunten op te lossen.

1 Theoretisch kader overdrachtsbelasting

In art. 15, lid 1, onder p, Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: Wet BRV) is een vrijstelling opgenomen voor de verkrijging van monumentenpanden in de zin van de Monumentenwet 1988. Om de vrijstelling te kunnen toepassen worden eisen gesteld aan het monument en aan de verkrijgende rechtspersoon. De achtergrond van de vrijstelling is om de verkrijging van monumenten door de bedoelde rechtspersonen te faciliteren gezien het belang dat met de instandhouding van monumenten is gediend. Hieronder zullen wij in hoofdlijnen ingaan op de eisen die worden gesteld aan de monumenten en aan de rechtspersonen.

1.1 Kwalificerende monumenten

Niet alle monumentenpanden vallen onder de vrijstelling. Het moet gaan om rijksmonumenten die zijn ingeschreven in een register krachtens de Monumentenwet 1988, zijnde een register van beschermde monumenten. Dit volgt uit art. 6, lid 1, Uitv.besl. BRV. Een onroerende zaak die als beschermd dorps- of stadsgezicht is ingeschreven in de Monumentenwet 1988 wordt niet als rijksmonument bestempeld. Ook gemeentemonumenten komen niet in aanmerking voor de vrijstelling…

Verder lezen
Terug naar overzicht