Commentaar op Burgerlijk Wetboek Boek 3 art. 15b (Vermogensrecht)


Commentaar is bijgewerkt tot 15-02-2018 door prof. mr. dr. R.E. van Esch

Artikel 15b Tekst van de hele regeling

Een gekwalificeerd certificaat als bedoeld in
artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet, afgegeven aan het publiek door een
certificatiedienstverlener gevestigd in een derde land, heeft dezelfde
geldigheid als een gekwalificeerd certificaat afgegeven door een in de Europese
Gemeenschap dan wel een van de overige staten die partij zijn bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde
certificatiedienstverlener, indien:

  1. de certificatiedienstverlener voldoet aan de in richtlijn nr.
    99/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende
    een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen (PbEG L 13)
    gestelde eisen en beschikt over een in het kader van een in een lidstaat van de
    Europese Gemeenschap Gemeenschap dan wel een van de overige staten die partij
    zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte afgegeven
    bewijs van toetsing als bedoeld in
    artikel 18.16, eerste lid
    Telecommunicatiewet
    , dan wel

  2. een in de Europese Gemeenschap of een van de overige staten die
    partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
    gevestigde certificatiedienstverlener die voldoet aan de eisen van richtlijn
    nr. 99/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999
    betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen (PbEG
    L 13) voor dat certificaat instaat, dan wel

  3. het certificaat of de certificatiedienstverlener is erkend in het
    kader van een bilaterale of multilaterale overeenkomst tussen de Europese
    Gemeenschap dan wel een van de overige staten die partij zijn bij de
    Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en derde landen of
    internationale organisaties.

A: Inleiding

Wat betreft wetsgeschiedenis en jurisprudentie tot heden bijgewerkt.

B: Wetstechnische informatie

Voor de wetstechnische informatie verwijzen wij u naar de wetstechnische informatie van de regeling.

C: Kernproblematiek

C.1: Lidstaten EU en EER-staten

Voor certificaten die zijn uitgegeven in een lidstaat van de EU of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER-staat), is artikel 4 van de Richtlijn elektronische handtekeningen van belang. Dit artikel verbiedt lidstaten en derhalve ook Nederland om het verlenen van certificatiediensten vanuit een andere lidstaat of een EER-Staat te beperken op gebieden die onder deze richtlijn vallen. De Nederlandse rechter is dientengevolge verplicht de gekwalificeerde certificaten die zijn uitgegeven door een certificatiedienstverlener die is gevestigd in een van deze landen, te erkennen. Hij moet aan digitale handtekeningen die zijn gebaseerd op deze certificaten, dezelfde rechtsgevolgen verbinden als aan digitale handtekeningen die zijn gebaseerd op gekwalificeerde certificaten die zijn uitgegeven door in Nederland gevestigde certificatiedienstverleners. De lidstaten van de EU zijn België, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland, Duitsland, Denemarken, Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Griekenland, Polen, Spanje, Finland, Oostenrijk, Zweden, Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije, Tsjechië, Bulgarije, Kroatië en Roemenië. De EER-staten zijn Noorwegen, IJsland en Liechtenstein.

C.2: Derde landen

De lidstaten van de EU en de EER-staten zijn alle gebonden aan de Europese Richtlijn elektronische handtekeningen. Bijlage II van deze richtlijn bevat de eisen waaraan certificatiedienstverleners die gekwalificeerde certificaten afgeven, moeten voldoen. Het is niet gezegd dat certificatiedienstverleners in derde landen, dat wil zeggen landen die geen lid zijn van de EU of geen EER-staat, aan dezelfde eisen voldoen. Indien deze eisen minder streng zijn dan de eisen in bijlage II van de richtlijn, is artikel 3:15a lid 2 BW niet van toepassing omdat er dan geen sprake is van een gekwalificeerd certificaat als bedoeld in artikel 1.1 sub dd Tw. Het is dan aan de rechter om op basis artikel 3:15a lid 1 BW aan de hand van de omstandigheden van het geval te bepalen welke rechtsgevolgen aan het gebruik van de betreffende digitale handtekening moeten worden verbonden. Artikel 3:15b BW bepaalt in welke gevallen een gekwalificeerd certificaat uit een derde land dezelfde geldigheid heeft als een gekwalificeerd certificaat uitgegeven in een lidstaat of een EER-Staat. Dit is het geval als:

  1. de certificatiedienstverlener beschikt over een bewijs van toetsing als bedoeld in artikel 18.16 lid 1 Tw, afgegeven in een lidstaat of een EER-Staat; of
  2. een certificatiedienstverlener die is gevestigd in een lidstaat of een EER-Staat en die voldoet aan de eisen van bijlage II van de richtlijn, instaat voor het gekwalificeerde certificaat; of
  3. de certificatiedienstverlener of het gekwalificeerde certificaat is erkend in een bilaterale, dan wel een multilaterale overeenkomst tussen enerzijds de EU of de overige staten die partij zijn bij de EER, en anderzijds derde landen of internationale organisaties.

In deze drie gevallen, indien ook wordt voldaan aan de overige eisen van artikel 3:15a lid 2 BW, zal naar Nederlands recht een digitale handtekening die is gebaseerd op een gekwalificeerd certificaat uit een derde land worden vermoed een betrouwbare methode voor authentificatie te zijn, in de zin van artikel 3:15a lid 1 BW.

D: Jurisprudentie uitgebreid

Bij dit artikel is nog geen belangrijke jurisprudentie aanwezig.

E: Jurisprudentie nieuw

Meest recente jurisprudentie over Burgerlijk Wetboek Boek 3 artikel 15b.

F: Literatuurverwijzing

  • Esch, R.E. van, Juridische aspecten van elektronische handel, Deventer: Kluwer 2007, p. 137-138.
  • Lodder, A.R., J. Dumortier en S.H. Bol, Het recht rond elektronische handtekeningen, Deventer: Kluwer 2005, p. 125-127 en p. 160.