Commentaar op Burgerlijk Wetboek Boek 3 art. 296 (Vermogensrecht)


Commentaar is bijgewerkt tot 25-10-2016 door prof. mr. A.W. Jongbloed

Artikel 296 Tekst van de hele regeling

1.

Tenzij uit de wet, uit de aard der verplichting of uit een
rechtshandeling anders volgt, wordt hij die jegens een ander
verplicht is iets te geven, te doen of na te laten, daartoe
door de rechter, op vordering van de gerechtigde,
veroordeeld.

2.

Hij die onder een voorwaarde of een tijdsbepaling tot iets
is gehouden, kan onder die voorwaarde of tijdsbepaling
worden veroordeeld.

A: Inleiding

Titel 3.11 begint met het in artikel 3:296 BW uitspreken dat in beginsel iedere verplichting (een verbintenis, maar ook een andere rechtsplicht) nagekomen dient te worden en dat een daartoe strekkende veroordeling kan worden uitgesproken. Aldus kan in principe iedere aanspraak uit het materiële recht door het instellen van een rechtsvordering geldend worden gemaakt. Voor de toewijsbaarheid van een dergelijke vordering geldt dat slechts van belang is dat door het objectieve recht het ingeroepen rechtsgevolg wordt verbonden aan het door eiser gevorderde. Artikel 3:296 BW is de basis voor condemnatoire vorderingen. Een declaratoire uitspraak daarentegen is gebaseerd op artikel 3:302 BW. Constitutieve vorderingen vinden hun grondslag in specifieke bepalingen.

B: Wetstechnische informatie

Voor de wetstechnische informatie verwijzen wij u naar de historische informatie bij
Artikel 296.

C: Kernproblematiek

De ontwerpers van het nieuw BW waren van mening dat de rechtsvorderingen die aan iemand toekomen zo nauw met de subjectieve rechten samenhangen dat in Boek 3 een bijzondere titel aan het onderwerp rechtsvorderingen gewijd diende te worden. Aldus worden materieel en formeel recht met elkaar verbonden.

Onder de bepaling vallen iedere rechtsvordering (in de zin van processuele handeling waarbij een vorderingsrecht in rechte wordt ingeroepen) tot nakoming van iedere denkbare verplichting. Zowel verbintenissen als bepalingen uit het goederenrecht en bepalingen uit het recht betreffende de rechten op de voortbrengselen van de geest en voorts ‘kale’ verplichtingen (waartegenover geen corresponderend vermogensrecht van een ander valt aan te wijzen) vallen onder het toepassingsgebied van dit artikel.

Verplichtingen die geen verbintenis kunnen opleveren, bestaan veelal in een ‘doen’ of ‘niet doen’ (‘nalaten’), maar vrijwel nooit in een ‘geven’. Hoewel deze verplichtingen voor een belangrijk gedeelte zijn te vinden in het publiekrecht (vergelijk het Wetboek van Strafrecht), komen zij ook voor in het privaatrecht. Te denken valt aan een verplichting om geen onrechtmatige daad te plegen.

Met de bepaling wordt buiten kijf gesteld dat aangegane verplichtingen (in ruime zin) moeten worden nagekomen en dat zij zo nodig kunnen worden afgedwongen. Daarbij moet worden bedacht dat ook als partijen in een bepaalde rechtsverhouding tot elkaar staan, dit niet zonder meer betekent dat sprake is van rechtens afdwingbare verplichtingen over en weer. Zo valt te denken aan in het verleden in de wet bepaalde eerbied die kinderen verschuldigd waren aan hun ouders.

Met de bepaling wordt ook onderstreept dat in het Nederlandse recht voor een schuldeiser de nakoming voorop staat en dat schadevergoeding of ontbinding een uitzondering op de hoofdregel vormt. De bepaling impliceert dat voor de ontvankelijkheid van een vordering tot nakoming een voorafgaande ingebrekestelling niet noodzakelijk is, zodat de bevoegdheid om nakoming te vorderen niet als een gevolg van de wanprestatie moet worden gezien: de bevoegdheid bestaat al voordat de schuldenaar in verzuim raakt.

Soms faalt de vordering: een voorwaarde is nog niet vervuld c.q. een termijn is nog niet verstreken. De bepaling opent echter in het tweede lid de mogelijkheid om ook dan een veroordeling te verkrijgen, namelijk een veroordeling onder die voorwaarde c.q. tijdbepaling. Waarom de wederpartij niet aan zijn verplichting voldoet, is daarbij irrelevant en het is niet noodzakelijk dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming, schuld, e.d. Evenmin behoeft een beletsel voor het instellen van de vordering te zijn dat de tenuitvoerlegging van die veroordeling door middel van dwangmiddelen mogelijkerwijs op problemen stuit: zo kan de naleving van een omgangsregeling tussen ouder en kind problematisch zijn.

Uit de wet, uit de aard der verplichting of uit een rechtshandeling kan voortvloeien dat geen vordering tot nakoming kan worden ingesteld. Daarbij valt achtereenvolgens te denken aan de natuurlijke verbintenis van artikel 6:3 BW, hoogstpersoonlijke verplichtingen of een daartoe strekkende afspraak.

D: Jurisprudentie uitgebreid

D.1: Omvang nakomingsactie

HvJ EG 13 juli 2006, NJ 2008, 78 m.nt. Vlas, BIE 2006, 73, IER 2006, 75 m.nt. SdW, «JBPr» 2007/1, Jur. 2006, I-06509, RvdW 2006, 760, ECLI:NL:XX:2006:AY6818 (GAT/LuK);

artikel 22 EEX-vo houdt in een exclusieve bevoegdheidsregel ter zake van alle geschillen over de registratie of de geldigheid van een octrooi.

HR 1 december 1995, NJ 1996, 510, m.nt. DWFV, ECLI:NL:HR:1995:ZC1899 (Intres/Walt Disney Company);

na een eenmalige en gestopte inbreuk kan aanspraak worden gemaakt op een algemene onthoudingsverklaring met boetebeding, en bij gebreke daarvan op een rechterlijk algemeen inbreukverbod versterkt met een dwangsom.

HR 24 november 1989 NJ 1992, 404 m.nt. DWFV, BIE 1991, 23, RvdW 1989, 267, ECLI:NL:HR:1989:AD0964 (Interlas);

indien de Nederlandse rechter op grond van enige regel van internationaal bevoegdheidsrecht bevoegd is kennis te nemen van een vordering betreffende de inbreuk op een naar buitenlands recht verkregen intellectueel eigendomsrecht, kan hij desgevorderd in beginsel een verbod uitspreken van handelingen in het buitenland.

HR 18 juni 1982, NJ 1983, 723 m.nt. CJHB, BR 1983, 398, m.nt. Pels Rijcken, RvdW 1982, 126, VN 1985, 1340, m.nt. red., ECLI:NL:HR:1982:AG4405 (Plas/Valburg);

veroordeling om verder te onderhandelen.

HR 17 november 1967, NJ 1968, 42 m.nt. Scholten, ECLI:NL:HR:1967:AC4789 (Pos/Van den Bosch);

Pos wordt tot levering veroordeeld, omdat hij inbreuk maakt op Van den Bosch’ vorderingsrecht dat hij had behoren te respecteren.

HR 4 maart 1938, NJ 1938, 948 (Avro/Buma);

de omvang van een verbod (c.q. de versterking daarvan met een dwangsom) is overgelaten aan het oordeel van de feitenrechter.

E: Jurisprudentie nieuw

Meest recente jurisprudentie over Burgerlijk Wetboek Boek 3 artikel 296.

F: Literatuurverwijzing

  • Asser, C., A.S. Hartkamp en C.H. Sieburgh, Verbintenissenrecht. De verbintenis in het algemeen, deel I (Asser/Hartkamp 6-I), Deventer: Kluwer 2012.
  • Asser, C., A.S. Hartkamp en C.H. Sieburgh, Verbintenissenrecht. De verbintenis in het algemeen, deel II (Asser/Hartkamp 6-II), Deventer: Kluwer 2013.
  • Haas, D., De grenzen van het recht op nakoming, prft. VU Amsterdam, Deventer: Kluwer 2009
  • Heemskerk W.H., Vorderingsrecht en rechtsvordering, Deventer: Kluwer 1973.
  • Nispen, C.J.J.C. van, Het rechterlijk verbod en bevel, Deventer: Kluwer 1978.
  • Stolp, M.M., Ontbinding, schadevergoeding en nakoming; de remedies voor wanprestatie in het licht van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit, Deventer: Kluwer 2007.
Verder lezen