Commentaar op Burgerlijk Wetboek Boek 6 art. 77 (Letselschade) en (Vermogensrecht)


Commentaar is bijgewerkt tot 10-10-2016 door mr. drs. S.M. Kingma en mr. drs. H.J.S.M. Langbroek

Artikel 77 Tekst van de hele regeling

Wordt bij de uitvoering van een verbintenis gebruik gemaakt van
een zaak die daartoe ongeschikt is, dan wordt de tekortkoming
die daardoor ontstaat de schuldenaar toegerekend, tenzij dit,
gelet op inhoud en strekking van de rechtshandeling waaruit de
verbintenis voortspruit, de in het verkeer geldende opvattingen
en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk zou zijn.

A: Inleiding

Wat betreft wetsgeschiedenis en jurisprudentie tot heden bijgewerkt.

B: Wetstechnische informatie

Voor de wetstechnische informatie verwijzen wij u naar de wetstechnische informatie van de regeling.

C: Kernproblematiek

Krachtens de wet wordt de tekortkoming die ontstaat door gebruik van een ongeschikte hulpzaak toegerekend. Schuld speelt in het kader van dit artikel geen rol. Is er sprake van schuld dan wordt de tekortkoming reeds op die grond toegerekend. Het gaat om zaken die bij de uitvoering van de verbintenis worden gebruikt (HR 28 november 1997, NJ 1998, 168, ECLI:NL:HR:1997:ZC2511). De (hulp)zaak is dus een middel. Is de (aflevering van de) zaak zelf het doel van de verbintenis dan is het artikel niet van toepassing. Onder hulpzaak kunnen worden verstaan zowel duurzame als verbruikbare hulpmiddelen die de schuldenaar benut om aan zijn verbintenis te voldoen. Een hulpzaak is gebrekkig wanneer zij niet voldoet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan haar mag stellen (Hijma/Olthof, nr. 372). Van die situatie is sprake wanneer de hulpzaak in het algemeen niet de voor het doel vereiste eigenschappen bezit, maar ook wanneer van een incidenteel gebrek sprake is. In de regel vindt op grond van dit artikel toerekening van de tekortkoming plaats. Toerekening blijft achterwege wanneer dit onredelijk zou zijn. Daarvan zou op een drietal in het artikel genoemde gronden sprake kunnen zijn. De belangrijkste factoren die daarbij een rol spelen zijn exoneraties, gebrek aan keuzevrijheid met betrekking tot het in te zetten hulpmiddel (HR 25 maart 1966, NJ 1966, 279, m.nt. GJS, ECLI:NL:HR:1966:AC4642; HR 13 december 1968, NJ 1969, 174, m.nt. Scholten, ECLI:NL:HR:1968:AC3302 (Polyclens); Rb. ’s-Hertogenbosch 15 juni 2005, «JGR» 2005/49), de wederzijdse deskundigheid, verzekeringsaspecten, de omvang van de schade in relatie tot de opdrachtsom en of de zaak algemeen ongeschikt is of min of meer toevallig in de concrete casus faalde. Veelal zal sprake moeten zijn van een combinatie van factoren alvorens een beroep op de ‘tenzij-regel’ slaagt. Van een combinatie van factoren zal zeker bij de laatstgenoemde factor (toevallig falen) sprake moeten zijn, nu toevallig falen immers als hoofdregel juist krachtens dit artikel wordt toegerekend. Zie voor aansprakelijkheid van een hulpverlener voor een gebrekkig medisch hulpmiddel het hieronder genoemde artikel met vindplaatsen van wisselende jurisprudentie. Aansprakelijkheid werd aangenomen in Hof ’s-Hertogenbosch 25 november 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4936 en bijvoorbeeld niet in Rb. Amsterdam 20 januari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:212, JA 2016, 37, m.nt. Y. Bosschaart en B. Pasztjerik.

D: Jurisprudentie uitgebreid

Bij dit artikel is nog geen belangrijke jurisprudentie aanwezig.

E: Jurisprudentie nieuw

Meest recente jurisprudentie over Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 77.

F: Literatuurverwijzing

  • Hiemstra, J.T., ‘De verhaalsmogelijkheden bij schade door een ongeschikte medische hulpzaak anno 2015’, TVP 2015, p. 64-76 .
  • Olthof, M.M. en Jac. Hijma, Compendium van het Nederlands vermogensrecht, Deventer: Kluwer 2014.